De leeswereld van Olga Van Oost

Lezen is denken met andermans hoofd’, zei Schopenhauer. Maar wat zoeken we in dat andere hoofd? Is het rust, verstrooiing, kennis? Dit is Leeswereld, een interviewreeks over de rol van lezen, over schoonheid, over taal. Deze aflevering: Olga Van Oost, museologe.

door Matthias M.R. Declercq
©Michiel Devijver en Iedereen Leest

‘Vooraf nadenkend over mijn leeswereld ben ik tot de vaststelling gekomen dat ik blijkbaar bij non-fictie vaker naar vrouwelijke auteurs grijp en bij fictie meer naar mannen.’ Olga Van Oost heeft zelf geen verklaring voor die tweedeling. ‘Ik ben sterk beïnvloed door bepaalde essaybundels van vrouwen, maar koos als achttienjarige heel bewust voor Kunstwetenschappen en Archeologie na het lezen van De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch.’ De kiem van de tweedeling lijkt al bij de studiekeuze te liggen: de fictie die kunst voorstaat – alhoewel - en de feiten van de archeologen zijn met elkaar versmolten in zowel het private als het professionele leven van Olga Van Oost. Ze is directeur van FARO, het Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed, waar ze als experte in de museologie zowel werkt met oude als hedendaagse erfgoedvraagstukken. Want uiteindelijk gaat het om de betekenis die we vandaag aan cultureel erfgoed geven.

“De essays van tientallen jaren geleden zijn nog altijd van toepassing op de huidige wereld. Germaine Tillion, Susan Sontag of Simone Weil: het blijft verfrissend om door hun ogen naar de samenleving te kijken”

Dat heden dringt zich ook op in haar leeswereld. Meer dan alleen essays of romans, zijn kranten en magazines het ontbijt die de dag van Olga van een stevige fond voorzien. ‘De Tijd, De Morgen, De Standaard, Le Soir, De Groene Amsterdammer: ik wil weten wat er om me heen gebeurt. Om de realiteit beter te begrijpen, lees ik nadien steeds vaker essaybundels en moeten de mannen met hun fictie het - nu dan toch - afleggen tegen de vrouwen en hun non-fictie. Ook essays van tientallen jaren geleden zijn nog van toepassing op de huidige wereld. Germaine Tillion, Susan Sontag of Simone Weil: het blijft verfrissend om door hun ogen naar de samenleving te kijken. Maar ook de geëngageerde manier waarop Joke Hermsen over kunst en cultuur schrijft, vind ik bijzonder inspirerend.’

China

©Michiel Devijver en Iedereen Leest

De namen die Olga Van Oost opnoemt, duiden op een goed ontwikkeld ethisch kompas. Daar hebben haar ouders een grote rol in gespeeld. ‘Ik ben opgegroeid in Sint-Job-in-’t-Goor (ten noordoosten van Antwerpen) in een gezin dat het niet breed had, maar niks te kort kwam. Mijn moeder - ze is nu 77 jaar - werkte als verpleegster. Vader was van eenvoudige komaf, de oudste van zes kinderen, geboren in 1940, en kon zijn intelligentie niet kon aanwenden om te studeren. Daar was geen tijd voor. Hij werd elektricien. Door te lezen heeft mijn vader zichzelf ontvoogd. Voor hij mijn moeder leerde kennen, was hij elektricien op de lange omvaart, misschien zelfs om onderweg veel te kunnen lezen. Die tochten vormden hem: in Zuid-Afrika zag hij de vreselijke impact van Apartheid. In China raakte hij dan weer geïnspireerd door het communisme en kwam hij terug met het Rode Boekje van Mao. Hij dweepte niet met zijn groeiende kennis, maar plantte wel zaadjes. Spraken we aan tafel over maatschappelijke thema’s, dan zei hij vaak: “Maar Olga, wat denk jij daar nu zélf van?” Hij confronteerde me met mezelf, bracht me bij dat als iedereen naar links gaat, je nog altijd naar rechts kan.’

“Als tiener was het een feest om thuis boeken als 'De Duivelsverzen' van Salman Rushdie of 'Ik, Jan Cremer' in de kast te vinden. Of 'Steppenwolf' van Hermann Hesse en 'De soevereiniteit van het goede' van de Britse moraalfilosofe Iris Murdoch. Zij was, samen met zovele anderen, op zoek naar het goede, dat veel verder reikt dan een zoektocht naar God.”

‘Mijn vader is er spijtig genoeg niet meer, maar hij blijft heel dicht bij me om richting te geven. Ook mijn moeder deed en doet dat. Elke week gingen we naar de bibliotheek. Ook al was er geen ruim budget voorhanden, toch mocht ik ook altijd boeken kopen in de boekhandel. Als tiener was het een feest om thuis boeken als De Duivelsverzen van Salman Rushdie of Ik, Jan Cremer in de kast te vinden. Of Steppenwolf van Hermann Hesse en De soevereiniteit van het goede van de Britse moraalfilosofe Iris Murdoch. Zij was, samen met zovele anderen, op zoek naar het goede, dat veel verder reikt dan een zoektocht naar God. Dat triggerde me als tiener, en houdt me nog altijd bezig: wat is dat eigenlijk, “het goede” en hoe is dat verbonden met “het schone” en “het ware”?’   

©Michiel Devijver en Iedereen Leest

‘Ik hecht ook veel belang aan het werk van Simone Weil. Een pareltje is Waar strijden wij voor. Over de noodzaak van anders denken. Ook zij zocht naar de diepere menselijkheid en dacht in tijden van oorlog na over de relatie tussen het individu en de gemeenschap. Weil ging zelfs werken in de fabriek, uit solidariteit met de arbeiders, maar ook om hen beter te begrijpen. Uiteindelijk is ze gestorven van ontbering. Weil heeft me diep beïnvloed. Ze zocht naar menselijkheid temidden de marsorders van de wereldoorlogen. Het collectieve stel ik zelf voorop, ook als directeur, maar ik huiver voor de ontsporing, voor het moment dat je als individu je persoonlijkheid verliest of gedwongen wordt die af te geven. Het zal altijd een strijd blijven tussen de eigen ontplooiing en de maatschappelijke eenheid. Maar als dat laatste een afgoderij wordt, dan is dat misdadig. Weil heeft zich altijd bekommerd om het bewaren van de ziel, van het mens zijn.’

‘Ook Georgia O’Keeffe, de Amerikaanse kunstenares, hoort in die lijst thuis. Toen ik jaren terug, voor een conferentie in New Mexico was, waar ze woonde, had ik de kans om haar museum in Sante Fe te bezoeken en raakte ik helemaal in de ban van haar werk – vooral de landschappen zijn prachtig – en haar persoonlijkheid. In een tweedehandswinkel vond ik een biografie, geschreven door Laurie Lisle. O’Keeffe heeft moeten strijden om zich te ontwikkelen, om te worden wie ze wilde zijn. Tijdens mijn doctoraat aan de VUB, bij wijlen Caroline Pauwels, was dat boek een houvast, vooral wanneer ik dat hele doctoraat het liefst uit het raam wilde kieperen. Maar dan dacht ik dus: “Wat zou Georgia nu doen en hoe zou zij terug moed proberen te vinden?”’

Wat voor mij heel belangrijk is in de werken van Murdoch, Sontag, Weil, maar evengoed in romans, is positiviteit. Dat ben ik ook schatplichtig aan Caroline: hoe zij altijd hoop bleef koesteren. Dat beschreef ze ook heel goed in het boek Ronduit. Aantekeningen van een possibilist. Hoewel Franz Kafka me ook diep heeft beïnvloed met zijn diep tragische mensbeeld, haal ik toch vooral energie uit hoe pakweg Rosa Luxemburg en Etty Hillesum in het leven stonden: opstaan en blij zijn, schoonheid zien in wat rest. Joke Hermsen schreef over Luxemburg het aangrijpende essay Het tij keren en Judith Koelemeijers recente biografie van Hillesum is een aanrader. Àltijd opnieuw moed proberen te vinden, dat is zo belangrijk. Een rolmodel op dat vlak is Germaine Tillion. Zij werkte als onderzoeker in het Musée de l’Homme tijdens WOII en sloot zich aan bij het verzetsnetwerk dat in dat museum ontstond. Zoals veel van haar vrienden werd ze zelf ook opgepakt en overleefde ze het concentratiekamp Ravensbrück. Ondanks alles gaf ze nooit op en bleef ze geloven in de mens. Prachtig beschreven in Fragments de Vie. In de graphic novel Des Vivants wordt de verzetsgeschiedenis van het Musée de l’Homme op basis van archiefmateriaal uitmuntend gereconstrueerd.’

Hoewel Franz Kafka me ook diep heeft beïnvloed met zijn diep tragische mensbeeld, haal ik toch vooral energie uit hoe pakweg Rosa Luxemburg en Etty Hillesum in het leven stonden: opstaan en blij zijn, schoonheid zien in wat rest.

God

“Ik was heel erg jong toen mijn enige broer stierf aan een hersentumor. De impact op het gezin was enorm. Hoe ga je om met de dood van een kind, een zoon, een broer? Mijn hele jeugd en jongvolwassen leven probeerde ik vat te krijgen op de zin en onzin van ziekte en dood. Misschien komt mijn leeshonger ook wel daar vandaan. Want hoewel wij over veel konden praten thuis, was dit toch moeilijk.”

Dat Olga Van Oost het goede niet per se bij God zoekt, betekent niet dat het hogere afwezig is in haar leven. Ze beschouwt zichzelf niet (meer) als gelovige, maar gooit het kind ook niet met het badwater weg. ‘Ik was heel erg jong toen mijn enige broer stierf aan een hersentumor. De impact op het gezin was enorm. Hoe ga je om met de dood van een kind, een zoon, een broer? Mijn hele jeugd en jongvolwassen leven probeerde ik vat te krijgen op de zin en onzin van ziekte en dood. Misschien komt mijn leeshonger ook wel daar vandaan. Want hoewel wij over veel konden praten thuis, was dit toch moeilijk. Het verdriet was te groot. Gelukkig waren er boeken en al snel werd de kinderbijbel mijn steun en leestoeverlaat. Als kind hield ik vast aan het hiernamaals en geloofde dat ik mijn broer zou terugzien, dat hij “boven” op me wachtte. Het was een grote opluchting te geloven dat de dood geen eindpunt is. We spreken hier over de jaren tachtig, in een gezin waar vader en moeder alleen maar slechte herinneringen hadden aan het oude katholieke geloof, en ik, als jonge dochter, zelf besloot om naar de kerk te gaan. Ik werd zelfs misdienaar en probeerde mijn ouders te overtuigen mee te gaan – wat trouwens niet lukte. Ik voelde een groot verantwoordelijkheidsgevoel ten opzichte van hen, wilde mijn best doen, het goede doen. Het idee van het hiernamaals liet ik los toen de moeder van een klasgenoot stierf in mijn tienerjaren. Ik praatte met hem en begon onbewust mijn focus te verleggen naar de mens zelf, weg van het geloof en de kerk, meer richting kunst en cultuur, naar hoe je je verhoudt tot het leven en de samenleving. Ik heb nooit gedweept met het geloof en heb afstand genomen van het instituut, maar blijf de Bijbel wel een waardevol boek vinden.’



Deel dit artikel:

Mis niets van Iedereen Leest