Leesplezier, kan je dat wel meten?

Onderzoeksresultaten bieden inzichten om effectief en kwaliteitsvol aan leesbevordering te werken. Welke succesfactoren en randvoorwaarden zijn er waar te nemen? Voor welke drempels en valkuilen hoeden we ons best? Daarnaast rijst vaak de vraag hoe de effecten van leesbevordering gemeten kunnen worden. Kan je leesbevordering meetbaar maken? Hoe doe je dat en waarom zou je dat doen?

door Patrick Jordens
© Michiel Devijver | Iedereen Leest

Dit artikel is een verslag van een deelsessie op de Iedereen Leest-conferentie 'Waarom leesbevordering ertoe doet'. Die vond plaats in Gent op 11 februari 2020. Alle verslagen van die conferentie lees je in een terugblik.

Hoe weet je dat wat je doet als leesbevorderaar effect heeft? Hoe kan je die effecten op vlak van leesplezier en motivatie gaan monitoren? Deze vragen liggen aan de basis van een sessie rond het belang van degelijk en onderbouwd onderzoek naar leesmotivatie en leesplezier. Want bewezen methodes en een doordachte aanpak waarborgen een leesbevordering met impact.

De recente ontluisterende onderzoeksresultaten van de PISA en PIRLS hebben aangegeven dat de leesvaardigheid en leesmotivatie bij kinderen en jongeren van respectievelijk 10 en 15 jaar in dalende lijn zit. De nood aan effectieve leesbevordering is groter dan ooit. En meteen ook de nood aan onderzoek door de overheid en wetenschappelijke instellingen om ervoor te zorgen dat leesbevorderaars effectieve en kwaliteitsvolle tools aangereikt krijgen. Dergelijk onderzoek blijkt in Vlaanderen (nog) vaak afwezig. De laatste Participatiesurvey dateert van 2014. Daarin werd het leesgedrag van volwassen Vlamingen in kaart gebracht volgens frequentie en type gelezen boeken, maar erg omvattend is de informatie over leesgewoontes niet. Daarnaast werd het meest recente grootschalige onderzoek rond leesgedrag uitgevoerd in 2011.

Wat onderzoek ons vertelt

Roel Van Steensel © Michiel Devijver | Iedereen Leest

Nadat professor Roel Van Steensel van Vrije Universiteit Amsterdam aan de hand van scans aantoont dat lezen effectief een duidelijke hersengroei, en meer specifiek een verhoogde hersenconnectiviteit teweegbrengt, zoomt hij in op het cruciale maar complexe begrip ‘motivatie’.

Onderzoek heeft aangetoond dat de kern van leesmotivatie te vinden is in de intrinsieke motivatie, een drive die van binnenuit moet komen. Dat hangt samen met verschillende factoren, waarvan één van de belangrijkste de mate van autonomie blijkt: kan ik zelf kiezen wat ik lees? Bij intrinsieke motivatie zal je frequenter en actiever lezen en kom je in een positieve leesspiraal terecht: van intrinsieke motivatie naar een hogere leesfrequentie, wat leidt tot een betere leesvaardigheid en dus ook meer motivatie. Maar dit kan zich ook in tegenovergestelde richting voordoen, namelijk in een negatieve leesspiraal. Negatieve motivatie en zelfs leesangst (een fixatie op de moeilijkheid van de ervaring) werden empirisch waargenomen bij zwakke lezers.

Een doorlichting van 88 verschillende effectstudies toont aan dat investeren in leesmotivatie wel degelijk helpt en dan zeker voor de zwakkere lezers. Met de motivatie neemt ook het leesbegrip toe, en vooral bij leerlingen in het secundair onderwijs.

Waar moet je je op richten als je de leesmotivatie en het leesbegrip wil vergroten? Volgende ingrediënten blijken succes te waarborgen: autonomie (Kan ik kiezen wat ik lees?), vertrouwen (Weet ik dat ik het kan?), verbondenheid (Vinden anderen het belangrijk dat ik lees?), interesses (Kan ik lezen wat ik interessant vind?), waarde (Vind ik lezen belangrijk?) en beheersingsdoelen (Wil ik er beter in worden?).

Van Steensel licht er één ingrediënt uit: interesses. Voor het Nederlandse leesbevorderingsprogramma Bibliotheek op school zorgt de plaatselijke bib voor een actuele, gevarieerde en steeds wisselende collectie zodat er voor elke leerling een boek is op zijn of haar maat. Bovendien wordt er elke dag een kwartier voorzien voor vrij lezen. Omdat niet alle leerlingen als vanzelfsprekend een boek weten te kiezen dat bij hen past, gaan de bibliotheekmedewerkers peilen naar hun leeservaringen in die vrije leestijd aan de hand van een checklist. Daardoor kunnen ze vaak een nog meer geschikte titel aanraden. Onderzoek heeft duidelijk aangetoond dat hulp en dialoog bij de boekenkeuze een positief effect heeft, zowel op vlak van leesmotivatie als leesbegrip.

Monitoring als duurzaam proces

Weten wat er werkt is dus belangrijk. Het volstaat echter niet om met enkele onderzoeksresultaten te zwaaien waarmee je rekening houdt, vervolgt Simon Bequoye van Iedereen Leest. Het is ook belangrijk om gegevens bij te houden. Monitoring is een proces waarbij je je bewust bent van wat je doet, wat het resultaat hiervan is en welke effecten het heeft bij kinderen en jongeren. Het bijhouden van gegevens - dataverzameling - hoeft geen complexe zaak te zijn. Sommige scholen houden leeslogboeken bij per leerling: wat lazen ze, hoe vaak, wat vonden ze leuk en minder leuk aan een boek … Op die manier ontdek je als leerkracht de leesvoorkeur en kan je gerichter inspelen op de interesse van de leerling. En laat dat net een van de succesfactoren zijn waar onderzoek op uit kwam.

In de bibliotheeksector maken de BIOS-gegevens dan weer deel uit van een grootschalig monitoringsinstrument: elke bib houdt aantal ontleningen, klasbezoeken, bibliotheekbezoeken en andere relevante gegevens bij. Sinds 2016 is de invoer van deze gegevens niet meer verplicht. Gevolg: we hebben geen cijfers meer die representatief zijn voor de hele sector, en sommige bibliotheken beschikken niet over cijfers. Willen we de meerwaarde van de bibliotheek zowel op bovenlokaal als op lokaal niveau onderstrepen, dan hebben we dergelijke informatie nodig.

Inspiratie uit de kinderopvang

Het verhaal dat Michel Vandenbroeck - professor gezinspedagogiek en pedagogiek van de voorschoolse voorzieningen, verbonden aan UGent - brengt, beklemtoont het belang van monitoring en bevat een mooie case waar onderzoek, praktijk en beleid elkaar versterken. In zijn presentatie geeft Vandenbroeck inzage in MemoQ, een doorlichtingsinstrument om de kwaliteit van de kinderopvang in Vlaanderen te meten. Bij de opmaak van dit instrument, moest er eerst een consensus zijn over het begrip ‘kwaliteit.’ Belangrijk is dat dit breed wordt gedragen door verschillende spelers uit het maatschappelijke veld. Een divers samengestelde klankbordgroep had daarom inspraak op alle vlakken in het onderzoek.

“Kwaliteitsmeting heeft ook pas zin als ze kan leiden tot kwaliteitsverbetering, en zo'n proces moet democratisch en transparant gebeuren.”

Kwaliteitsmeting heeft ook pas zin als ze kan leiden tot kwaliteitsverbetering, en zo'n proces moet democratisch en transparant gebeuren. Op die manier komen ook zelfevaluatie-instrumenten tot stand waardoor de actoren hun eigen monitoring kunnen doen. Beleid, wetenschap en praktijk gaan met andere woorden hand in hand.

Vandenbroeck licht één aspect van het brede onderzoek uit, namelijk ‘het educatieve klimaat’. Hoe bevordert de volwassene de ontwikkeling van de jonge kinderen? Taalondersteuning scoorde daarin het laagst. Een opmerkelijke vaststelling is ook dat de taalstimulering nog lager is bij meertalige kinderen - kinderen die niet uitsluitend Nederlands hebben als thuistaal - in de opvang. Dan heb je te maken met taalachterstelling in plaats van met taalachterstand. De taaluitingen naar meertalige kinderen bleken niet alleen minder frequent, maar ook van mindere kwaliteit. Een aanbeveling voor kwaliteitsverbetering is volgens Vandenbroeck om vanaf de eerste kinderjaren aandacht te hebben voor meertaligheid. Zo kan je bijvoorbeeld meer boeken aanbieden afkomstig uit andere culturen en die vertaald zijn naar het Nederlands (in plaats van omgekeerd zoals het nu vooral gebeurt). Een andere opmerkelijke vaststelling rond de thuistaal komt uit het PISA-onderzoek. Meertalige kinderen die voor schooltaken begeleiding kregen van hun ouders in hun thuistaal (en dus niet in het Nederlands), blijken net betere prestaties neer te zetten op school in wiskunde en begrijpend lezen.

Geen kant-en-klaar antwoord

Kan je leesplezier nu meten? 'Daar bestaat geen kant-en-klaar antwoord op,' besluit Simon Bequoye de sessie. 'Rijd je niet vast in alle terminologie rond impact en monitoring, en staar je niet blind op de grote cijfers, maar wees je bewust van reflectief handelen en de kracht van observatie. Die basisattitude is nodig om kwaliteitsvol aan leesbevordering te werken, aan leesbevordering met impact.'

Er bestaan enkele instrumenten om wat je doet te monitoren. Zo ontwikkelde Iedereen Leest een checklist die scholen helpt om het huidige lees(plezier)beleid op school in kaart te brengen. Het Britse Reading Agency zette ook een toolkit online met tal van vragenlijsten die je helpen om het leesplezier van kinderen en jongeren in kaart te brengen.


Deel dit artikel:

Contact
Kennismedewerker onderzoek, impact en beleid