De leeswereld van Zoë Ghyselinck

Lezen is denken met andermans hoofd’, zei Schopenhauer. Maar wat zoeken we in dat andere hoofd? Is het rust, verstrooiing, kennis? Dit is Leeswereld, een interviewreeks over de rol van lezen, over schoonheid, over taal. Deze aflevering: Zoë Ghyselinck, literatuurwetenschapper.  

©Michiel Devijver en Iedereen Leest

‘Mijn leeswereld is bijna volledig geënt op wat fictie genoemd wordt’, zegt Zoë. ‘Ik lees maar heel zelden non-fictie. Niet dat ik me daarvan afkeer, maar ik houd van een fictionele wereld, ook als die gebaseerd is op historische feiten. Sowieso vind ik de scheiding fictie vs. non-fictie wat achterhaald. De auto-docu-fictie van Stefan Hertmans kan me bijvoorbeeld evenzeer bekoren.’  

©Michiel Devijver en Iedereen Leest

Zoë Ghyselinck hoef je weinig vragen te stellen. Ze verbindt makkelijk alle punten en schetst helder wat lezen voor haar betekent. Fictie is de achterdeur waarlangs ze aan de werkelijkheid ontsnapt om er nadien weer in te duiken. Dat besef kwam pas later. Een tijd geleden drong de werkelijkheid zich op en stelde die de fictie in vraag. ‘Na de geboorte van mijn eerste kind las ik de boeken van Ilja Leonard Pfeijffer. Heerlijke literatuur, waarin werkelijkheid en fictie voortdurend in elkaar overvloeien en deze spanning zelf gethematiseerd wordt.’ 

‘Stilistisch is het werk van Pfeijffer heel sterk, zeker in Brieven uit Genua, waarin hij genrematig verschillende perspectieven hanteert. Precies in het midden van de roman schrijft de verteller een brief aan zijn jongere zelf. Dat is niet alleen een onsubtiele verwijzing naar Dante, maar ook een verdienstelijke poging om zijn brievenroman in de traditie van de “grote verhalen” te positioneren. “Nel mezzo del cammin di nostra vita” (“in het midden van onze levensweg”) is het eerste vers van Dante’s Hel in La Divina Commedia. Als je in het midden van je leven een minder moment kent, psychologisch of spiritueel, kun je een hellevaart ondergaan en er sterker uitkomen.’ 

“Toen ik een baby kreeg verschoof fictie niet naar de achtergrond, maar dankzij fictie en haar veelzijdige perspectieven leerde ik de realiteit anders te zien, te waarderen.”

‘Niet dat ik als jonge moeder, tijdens het lezen van Pfeijffer, in een depressie zat, maar ik was wel op een punt van stilstand en retro- en introspectie gekomen. Door Brieven uit Genua te lezen borrelde een existentiële vraag op: ik ben dan wel altijd met fictie bezig, ook professioneel, maar nu zit de realiteit hier naast me, een baby op de arm, wat belangrijker is dan fictie. Waar bevind ik me nu eigenlijk, als mens, als moeder? Waar ben ik mee bezig? Moet ik hetzelfde pad blijven bewandelen? Fictie verschoof niet naar de achtergrond, maar dankzij fictie en haar veelzijdige perspectieven leerde ik de realiteit anders te zien, te waarderen.’  

Fossiel 

©Michiel Devijver en Iedereen Leest

Noem Zoë Ghyselinck maar een literaire architecte. Als zij een boek leest, dan ziet ze meteen het grondplan van het verhaal, weet ze waar de draagbalken lopen, waar en wanneer het licht binnenvalt en welke onafgewerkte hoekjes de auteur buiten zicht houdt. Ghyselinck studeerde Latijn en Grieks en behaalde een doctoraat in de Letterkunde over de doorwerking van antieke tragedies in de moderne Duitse literatuur. Nog altijd is ze postdoctoraal onderzoeker aan de UGent. Ze is ook gastdocente Algemene Literatuurwetenschap aan de KU Leuven en ze onderzoekt de relatie tussen pratende doden en nieuwe communicatiemiddelen in de moderne en postmoderne literaire verbeelding.  

‘Op familiefeesten was ik het kind dat in een hoekje een verhaal las of op restaurant onder de tafel kroop met een boek’, zegt Zoë. ‘Ik was die rare met haar boeken. Op mijn eigen verjaardagsfeestjes las ik boeken en speelde moeder dan maar met de anderen kinderen. (lacht) ‘Een echte leescultuur was er bij ons niet in Gent, op Meulestede. Al lazen mijn tante en mijn mama wel vaak boeken en stond ook De verborgenheden des volks op een weinig zichtbare plaats thuis in de kast. Lange tijd was die reeks socialistische boeken (over een arbeidersfamilie) verboden. Wellicht heeft mijn moeder die op een geheimzinnige manier geronseld bij haar ouders of grootouders. Het is ook niet zo dat vader of moeder me lange tijd hebben voorgelezen. Dat moest niet, want ik heb mezelf leren lezen toen ik vijf was.’ 

“Ik had als kind een voorliefde voor geschiedenis. Die hang naar het verleden uitte zich in mijn leeswereld. Dan las ik een achtdelige fictiereeks over de Egyptische farao Ramses of over Nefertiti.”

‘Ik had als kind een voorliefde voor geschiedenis. Op mijn kamer stond een klein kastje met archeologische spullen, zoals neppapyrusrollen en een oude munt die mijn vader - een manusje-van-alles in verschillende Gentse musea - ergens had gevonden. Die hang naar het verleden uitte zich in mijn leeswereld. Dan las ik een achtdelige fictiereeks over de Egyptische farao Ramses of over Nefertiti. Alle boeken van Thea Beckman, in het bijzonder Kruistocht in spijkerbroek, las ik ook erg graag. Lezen was een uitlaatklep. Ik speelde geen prinsessen, maar ik zat in de zetel en liep in gedachten rond in andere werelden, zoals die van de Egyptenaren. Niet dat ik moest wegvluchten uit mijn eigen gezin, helemaal niet, maar over de bestaande wereld dacht ik toen al: is dit het dan? Ja, blijkbaar wel. Gelukkig waren toonden boeken andere perspectieven, die ik uitdagender vond dan de bestaande wereld.’  

Lasciate ogni speranza

©Michiel Devijver en Iedereen Leest

Een leeswereld die zich op jonge leeftijd ontwikkelt, heeft baat bij een paar richtingaanwijzers. Dat kan je vader zijn, je moeder, broer, zus, buurvrouw, maar ook de bibliothecaris. De leeswereld van Zoë Ghyselinck kreeg mee vorm op school. ‘“Lasciate ogni speranza voi ch’entrate”, schreef de lerares Grieks op het bord. Italiaans voor “laat alle hoop varen, gij die binnengaat”. Dat is het opschrift van de poort naar de hel in La Divina Commedia. Op die manier leerde ze ons een paar woordjes Italiaans, maar bracht ze ook een historisch bewustzijn bij. Dat was echt fantastisch. Die canto’s van Dante prikkelden me. En hoewel Dante niet tot de klassieke oudheid behoort, leidde zijn werk wel naar het lezen van de oude Grieken, zoals de Ilias en de Odyssee van Homerus. Die herlees ik af en toe in het Grieks en ik las ze op kindermaat voor aan mijn zoon en dochter. Mijn zoontje heet overigens Hektor en hij vertelt zijn kleine zus al verhalen over Kronos en Perseus.' (lacht)

“Ik las de Illias en de Odyssee op kindermaat voor aan mijn zoon en dochter. Mijn zoontje heet overigens Hektor en hij vertelt zijn kleine zus al verhalen over Kronos en Perseus.”

‘Hoe meer je leest, hoe meer boeken er op je pad komen, en hoe meer je beseft dat er zo enorm veel te lezen valt. Ik heb nog steeds het gevoel dat ik niet veel gelezen heb. Ik las als tiener de grote Russen, zoals Anna Karenina van Tolstoj, en zag dat mijn mama af en toe een boek van de Chileense auteur Isabel Allende las, waardoor ik ook bij Gabriel García Márquez uitkwam en al die andere Zuid-Amerikanen. Ook de (Noord-)Amerikanen zoals Don DeLillo en Paul Auster liggen nog op me te wachten. Op de universiteit botste ik dan weer op andere namen zoals Don Quichot van Cervantes, Gustave Flaubert en Thomas Mann. Hoewel er nu gelukkig steeds meer aandacht is voor een inclusiever en dynamischer literatuurbeeld, toch grijp ik er voorlopig nog niet naar. Ik ben nog even zoet met "de canon”.’  

Het achtste leven

“Wat "Kruistocht in spijkerbroek" voor me was als kind, is "Het achtste leven" van Nino Haratischwili voor mij als volwassene. Zo beeldend, zo theatraal, zoveel beter dan een film.”

‘Waarom ik lees en wat ik lees, is sinds mijn kindertijd niet veel veranderd. Nog altijd houd ik van fictie en nog altijd houd ik van geschiedenis in fictie, liefst met veel psychologie. Wat Kruistocht in spijkerbroek voor me was als kind, is Het achtste leven van Nino Haratischwili voor mij als volwassene. Zo beeldend, zo theatraal, zoveel beter dan een film. Het boeit door de thematiek en de stijl. Het achtste leven verweeft het fictionele relaas van acht generaties van dezelfde familie met de Georgische geschiedenis, en speelt zich vooral af in de zeer fascinerende 20ste eeuw. Terwijl anderen na een dag werken graag een pintje drinken -wat ik af en toe ook doe-, trek ik me even graag thuis terug met een boek. Om na het lezen rustig terug te keren naar de werkelijkheid, naar mijn kinderen.’ 

‘Ik heb fictie nodig, los van mijn professionele bezigheden. Op het eindexamen vroeg mijn professor Griekse letterkunde of ik door de studie ooit nog zou kunnen genieten van een boek? Of ik niet altijd meteen de structuur zou ontleden, de vertelstem, enzovoort? Natuurlijk kan ik dat nog. Tegelijk stoort de haast automatische ontleding me ook niet. Te allen tijde kan ik me overgeven aan een boek. Fictie en realiteit sluiten elkaar niet uit, maar vullen elkaar aan: Lezen blaast mijn leven een fundamentele adem in.’  

©Michiel Devijver en Iedereen Leest


Deel dit artikel:

Mis niets van Iedereen Leest