Je bent hier:

Lazen we altijd al voor ons plezier?

Lezen voor plezier doen we, relatief gezien, nog niet heel erg lang: de leescultuur komt pas echt tot ontwikkeling in de achttiende eeuw. Er zijn flink wat eeuwen over heen gegaan voor we konden lezen en dat bovendien in stilte deden.

door Fieke Van der Gucht | illustraties door Eleni Debo
© Eleni Debo

Het duurde even voor de randvoorwaarden van een ‘leescultuur’ waren vervuld. Daar waren bijvoorbeeld doorbladerbare, gedrukte en betaalbare boeken voor nodig, maar ook verschillende genres om alle soorten lezers te bedienen. Het was bovendien wachten op boeken in de eigen volkstaal, op boekhandels om ze te kopen en bibs om ze te lenen.

Verhalen in je hoofd

In de tweede tot de vierde eeuw ontstonden boeken in de vorm zoals we ze nu kennen – de e-books buiten beschouwing gelaten natuurlijk. De codex met een hardere kaft om het binnenwerk te beschermen verving toen de brozere boekrol waarin het onhandig opzoeken was. Die codices waren natuurlijk unicums: ze werden met de hand geschreven (en gekopieerd) en waren daardoor erg duur.

Wie schreef, deed dat doorgaans in het Latijn. Oudnederlands, dat in onze contreien van de zevende tot halverwege de twaalfde eeuw gesproken werd, was vooral een spreektaal. Nederlandse literatuur bestond wel al, maar dan vooral in de hoofden van mensen die de verhalen gewoon aan elkaar doorvertelden. Pas na verloop van tijd werden er ook verhalen in de volkstaal opgeschreven.

De tekstoverlevering in de Nederlandse volkstaal start voor de literatuur pas rond 1170-1180 met de Limburgse Hendrik van Veldeke. Die eerste geschreven ‘roman’ in het Nederlands was een heiligenleven over Sint-Servaas. Naast religieuze literatuur, zou er ook meer wereldlijke literatuur ontstaan: liefdesgedichten, dierenepossen en hoofse ridderromans bijvoorbeeld. De manuscripten daarvan werden door monniken overgepend – de boekdrukkunst werd pas halfweg de vijftiende eeuw uitgevonden.

Sssst, hier leest men in stilte!

Om de andere monniken niet te storen, lazen monniken in stilte. Vandaag lezen enkel kinderen die leren lezen hardop, maar vroeger deed iedereen dat. Dat weten we onder andere omdat de kerkvader Augustinus zich er in 380 over verbaasde dat de bisschop van Milaan met die traditie brak: 'Toen hij las, tastten zijn ogen de bladzijde af en zijn hart probeerde de betekenis te doorgronden, maar zijn stem zweeg en zijn tong was stil.' Augustinus ging er zelfs vanuit dat de bisschop het deed om zijn hese stem te sparen, maar laatstgenoemde bleek gewoon zijn tijd ver vooruit.

Lezen en schrijven was tot de dertiende eeuw een voorrecht van geestelijken. Edellieden lieten zich tot die tijd voorlezen, vaak door een geestelijke. Voorlezen aan jong én oud was een paar eeuwen geleden dus heel gebruikelijk. Pas vanaf de zeventiende eeuw nam de alfabetisering van alle lagen van de bevolking toe. En als ze lazen, dan gingen ze dat aldoor meer in stilte doen. Wat je las, ‘verinnerlijkte’ je meteen en op een snelle manier: de weg naar individueel lezen, als fijn tijdverdrijf voor jezelf, lag zo open.

“Lezen en schrijven was tot de dertiende eeuw een voorrecht van geestelijken. ”

Meer titels, meer genres, meer lezers

Er was natuurlijk wel meer ‘voorbereiding’ nodig om de leescultuur in de achttiende eeuw tot volle bloei te laten komen. Zo zorgde de boekdrukkunst ervoor dat boeken goedkoper werden en wijder verspreid raakten en dat er dus al met al wat te lezen viel. Vooral de Bijbel deed het erg goed dankzij de Reformatie: het (Nederlandse) woord Gods moest onder zoveel mogelijk mensen verspreid worden. In protestantse gezinnen in Nederland was het heel gewoon om in de Bijbel te lezen of eruit voor te lezen. Lezen raakte dus ingesleten in de gezinscultuur.

Niet iedereen was onverdeeld gelukkig met die ruimere verspreiding van boeken. 'De pen is een maagd, maar de boekdrukkunst een hoer', werd er gefluisterd. Versta: boeken die je met de hand schrijft, daar wordt flink over nagedacht; boeken die ‘snelsnel’ gedrukt worden, leiden tot onbedachtzame rommel. Het hield drukkers toch niet tegen om aldoor meer niet-religieuze genres flink verder te verspreiden. In de zestiende en zeventiende eeuw doken bijvoorbeeld kritische pamfletten en essays op – schrijvers waren toen vaak maatschappelijk geëngageerd.

Later, in de achttiende eeuw, werd het literaire landschap verder verrijkt met fantasierijke reisverhalen over utopische werelden, met brievenromans, met didactische literatuur (in de Verlichting leerden auteurs hun lezer graag iets bij) en met kinderliteratuur (een volledig nieuw genre). Er verschenen zelfs erotische romans bij anonieme uitgeverijen: nu mensen in stilte lazen, werd het simpelweg eenvoudiger om in alle anonimiteit tijd met je rodeoortjesboek door te brengen.

Boeken kopen en verkopen

Een ‘boek op maat’ vinden werd dus steeds makkelijker in de achttiende eeuw vanwege meer titels in omloop en meer genres. Niet alle onderzoek is het erover eens, maar de literaire schrokop zou dan ontstaan zijn. Uit boedelinventarissen blijkt dat het aantal gezinnen dat boeken in huis had toenam, net als het aantal boeken dat ze in hun bezit hadden. Doorgaans waren die burgerlijke bibliotheken wel braaf en bevatten ze vooral stichtelijke literatuur.

Een groter publiek betekende dat er wat te verdienen viel met boekenverkoop. Extra stimulans, vanaf 1720, was dat boekhandelaars boeken op commissie konden kopen en zonder financieel gevaar grotere en gevarieerdere boekenvoorraden konden aanleggen. De boekhandelaar werd een specialist en was niet langer uitgever, drukker en verkoper tegelijk. Hun aantal steeg dan ook tussen 1720 en 1740. Boekverkopers gingen specifiek adverteren: zowel voor mensen met beperkt budget als voor de bibliofiel die een artikel uit het antiquariaat zocht. Boeken werden dus een commercieel product.

Boeken lenen en leeservaringen delen

“Met de bibliotheken ontstonden publieke ruimtes waar lezers elkaar konden ontmoeten en ideeën uitwisselen.”

Niet-koopgrage lezers bedachten in diezelfde achttiende eeuw ook (iets) goedkoper manieren om aan boeken te raken. Ze werden klant bij een commerciële uitleenbibliotheek: daar kon je tegen een zacht(er) prijsje een boek ontlenen. De eerste Nederlandstalige leesbibliotheek kwam er in 1757 en was een initiatief van de Haagse boekhandelaar Hendrik Scheurleer. Echt goedkoop werd de bibbijdrage echter nooit, waardoor de bib enkel de hogere sociale klasse en gegoede middenklasse bereikte. Vandaag is het lidmaatschap van de openbare bibliotheek vaak gratis en het sociaal bereik groter.

Met de bibliotheken ontstonden publieke ruimtes waar lezers elkaar konden ontmoeten en ideeën uitwisselen. In leesgezelschappen werden leeservaringen gedeeld, en soms ook boekvoordrachten georganiseerd. Boeken werden een sociaal en intellectueel bindmiddel. Eind achttiende eeuw waren er al zo’n 300 leesgezelschappen in onze contreien. Mensen met een academische achtergrond zochten elkaar op in geleerdenkringen, mensen uit de burgerklasse onderwezen zichzelf in gewone leeskringen. De adel, met privébibliotheek, had dan weer vaak geen behoefte aan leesgezelschap. Twee eeuwen later zullen de uitlopers van die leesgezelschappen, de online leescommunity’s, ervoor zorgen dat leeservaringen makkelijker gedeeld raken over de sociale klassen heen.

Bronnen


Deel dit artikel:

Mis niets van Iedereen Leest