Belgische jongeren zijn digitale veellezers

Uit een nieuw rapport van het PISA-onderzoek uit 2018 blijkt dat vijftienjarigen steeds vaker online en uit praktische overwegingen lezen. Digitale vaardigheden zijn daarom onontbeerlijk. Zeker in tijden van verplicht thuisonderwijs is het belangrijk dat scholen voor alle leerlingen gelijke kansen creëren om hun digitale geletterdheid te kunnen ontwikkelen.

door Sofie Deweerdt
© Michiel Devijver en Iedereen Leest

PISA, een afkorting van Programme for International Student Assessment, is een driejaarlijks internationaal onderzoek van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Aan de hand van een vaardigheidstest en een vragenlijst onderzoekt de OESO hoe het gesteld is met de leesvaardigheid en de wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid van vijftienjarigen wereldwijd. Alle 37 OESO-landen en meer dan 40 partnerlanden namen deel aan het onderzoek. Voor België gaat het om 8.475 leerlingen.

Uit PISA 2018 bleek eerder al dat de Vlaamse jongeren erg laag scoren op leesvaardigheid en leesplezier. Het aanvullende (Engelstalige) PISA-rapport dat nu verschenen is, werpt een licht op hoe leesvaardigheid en digitale geletterdheid in verband staan met elkaar.

Digitale veellezers

Op zes jaar tijd steeg de schermtijd van Belgische vijftienjarigen van 20 uur per week (PISA 2012) naar een wekelijks gemiddelde van 35 uur (PISA 2018). Jongeren besteden hun schermtijd onder andere aan chatten, het lezen van online nieuws en het opzoeken van informatie. Tijdens die uren op het internet worden de jongeren geconfronteerd met grote hoeveelheden informatie, maar ook met desinformatie. Dat is informatie die bewust en opzettelijk misleidend is.

“Het is belangrijk dat jongeren leren hoe ze moeten omgaan met desinformatie.”

Door het stijgende internetgebruik verspreidt zulke foute informatie zich sneller en efficiënter. Het is daarom belangrijk dat jongeren leren hoe ze desinformatie moeten verwerken en beoordelen. Zes op de tien Belgische leerlingen geeft aan op school geleerd te hebben hoe het verschil te detecteren tussen feiten en meningen. Drie op vier leerlingen zegt bovendien dat ze in de klas handvaten aangereikt kreeg om de betrouwbaarheid van internetinformatie correct in te schatten. Uit de vaardigheidstest blijkt dat bijna 60% van de Belgische vijftienjarigen correct het verschil tussen feiten en meningen weet in te schatten. Dat is 10% beter dan het internationale gemiddelde.

Uit het onderzoek blijkt overigens dat een sterke leesvaardigheid en kennis van leesstrategieën voordelen oplevert bij het online navigeren. Leerlingen die de leesstrategieën beheersen weten namelijk efficiënter te navigeren tussen verschillende tabbladen en hyperlinks. Bovendien spenderen sterkere lezers minder tijd op irrelevante pagina’s en kunnen ze de interessante gemakkelijker vinden. Het onderzoek benadrukt daarom het belang van lessen over leesstrategieën.

Lange fictionele teksten als hulpmiddel

“Leesplezier heeft een grotere invloed op leesvaardigheid dan de tijd die gespendeerd wordt aan lezen.”

De leesvaardigheid van de ondervraagde leerlingen daalde de laatste tien jaar opvallend. Daarnaast neemt ook het lezen voor plezier af, terwijl het lezen voor praktische noden stijgt. Zo gaat bijna 60% van de Belgische leerlingen akkoord met de stelling “Ik lees alleen maar wanneer het moet” en meer dan de helft zegt alleen maar noodzakelijke informatie te lezen. Dat lezen voor praktische noden staat in verband met de stijgende schermtijd. Het onderzoek besluit daarom dat leesplezier een grotere invloed heeft op leesvaardigheid dan de tijd die gespendeerd wordt aan lezen. Dat resultaat onderstreept het belang van intrinsieke leesmotivatie.

© Michiel Devijver en Iedereen Leest

De literatuur die leerlingen op school voor de kiezen krijgen – in de vorm van leeslijsten – heeft bovendien een invloed op hun leesmotivatie en leesvaardigheid. België is op dat vlak echter een van de slechtste leerlingen van de klas. Zowel het lezen voor het plezier (18,1%) als het lezen voor school (52,8%) ligt ver onder de internationale gemiddeldes van respectievelijk 29% en 63%. Op vlak van de lengte van teksten op de leeslijst doet België het wel beter. Meer dan de helft van de teksten op de leeslijsten van scholen telt 101 pagina’s of meer, wat bevorderlijk is voor de leesvaardigheid.

Toegang tot internet thuis

92,5% van de Belgische leerlingen heeft thuis een eigen computer en internet om buiten de schooluren huiswerk te kunnen maken. De leerlingen die thuis geen gebruik kunnen maken van een computer zijn vaak leerlingen uit sociaal kwetsbare groepen, die in het algemeen lager scoren op leesvaardigheid. Dat heeft te maken met het feit dat in hoogopgeleide en welvarende gezinnen boeken vaak een belangrijke rol spelen in de opvoeding, terwijl kinderen uit sociaal kwetsbare gezinnen weinig tot geen toegang hebben tot zulke tekstuele bronnen. Onderzoekers van KU Leuven Orhan Agirdag en Jan Elen wijzen erop dat kinderen uit kwetsbare gezinnen eerst moeten wennen aan het onderwijs op basis van tekstuele bronnen en daarna pas leervorderingen kunnen boeken. De bestaande verschillen in leesvaardigheid worden bovendien benadrukt en verder uitgediept wanneer leerlingen thuis geen online toegang hebben. Daaruit blijkt hoe belangrijk die toegang tot het internet is voor de leesvaardigheid van leerlingen.

“Dat leerlingen individueel aan de slag moeten met hun leerstof versterkt de urgentie om sterke lezers te maken.”

De sluiting van de scholen wegens de coronapandemie kan vervolgens een extra versterkende invloed hebben gehad op die verschillen in leesvaardigheid. Dat leerlingen individueel aan de slag moeten met hun leerstof of met te lezen boeken versterkt de urgentie om sterke lezers te maken. Het PISA-onderzoek van 2022 zal meer duidelijkheid moeten brengen over de implicaties van de coronapandemie.

Toch zien onderzoekers Agirdag en Elen in het digitale onderwijs ook een kans die het onderwijsveld zou moeten grijpen: onderwijs waarin zowel tekstuele als audiovisuele bronnen een rol spelen zou de bestaande kloof kunnen dichten. Zo zouden audioboeken of literaire podcasts bijvoorbeeld een goede manier kunnen zijn om leerlingen het plezier van verhalen te doen ontdekken.

Het PISA-onderzoek doet dus besluiten dat digitale geletterdheid en leesvaardigheid hand in hand gaan en elkaar versterken. Het benadrukt het belang van gelijke kansen op school om digitale geletterdheid te stimuleren. Bovendien blijft de leesmotivatie een cruciaal element om de leesvaardigheid op te krikken.



Deel dit artikel: