In het atelier van Carll Cneut

Hoe ziet de werkruimte van illustratoren eruit? Wat zijn hun rituelen, talismannen en eigenaardigheden? Waaruit putten ze inspiratie en hoe komen ze tot hun beste werk? Journaliste Katrien Steyaert mag binnenkijken in hun ateliers en in hun creatieve geesten. Michiel Devijver maakt er foto’s bij. Deze keer: op bezoek bij Carll Cneut in Gent.

door Katrien Steyaert | foto's: Michiel Devijver
© Michiel Devijver | Iedereen Leest

Ongestoord

‘Ik zou het liefst zeven op zeven tekenen en schilderen. Ik droom zelfs van een halfjaar waarin niemand mij belt of mailt, want ik gedij het best als ik geen tijdsdruk voel en met rust word gelaten. Zo begin ik ook mijn dag: ik doe het hoogstnoodzakelijke – mails beantwoorden, facturen maken – om daarna zo ongestoord mogelijk te kunnen werken. Ik doe dat meestal netjes van half negen tot twaalf – start ik later, dan verlummel ik de dag – en van één tot ongeveer zeven uur. Daarna moet ik eventjes landen, bijvoorbeeld door te kijken naar The Voice of een ander tv-programma dat ik lekker gedachteloos mag ondergaan.’

White cube

‘Het was direct duidelijk waar in het nieuwe huis mijn atelier moest komen: in twee aanpalende kamers op de eerste verdieping. Bij mooi weer hoor ik door de open ramen scholieren babbelen en duiven koeren. En toch is het hier nog niet zoals ik het echt zou willen. Er heeft zich alweer te veel rommel opgestapeld. Die wil ik binnenkort absoluut naar een andere kamer verhuizen zodat ik weer in de buurt kom van mijn ideale atelier: een white cube. Misschien is het mijn leeftijd die maakt dat ik snak naar ademruimte. Minder ballast willen is alleszins de reden dat ik me onlangs eindelijk klaar voelde om werken te verkopen.’

Ziel

‘Als ik tijdens het maken begin te grijnzen, zit het beeld juist. Dat heeft te maken met zien dat mijn ziel erin zit. Ik maakte ooit een boek voor een buitenlandse uitgever, die zich zodanig bemoeide dat ik er op een bepaald moment gewoon vanaf wilde zijn. Ik deed nog mijn best om het er zo Cneut mogelijk te laten uitzien, maar mensen zagen toch dat het minder diep uit mij kwam. Het boek, dat ook in Vlaanderen verscheen, verkocht veel minder goed dan mijn andere titels. Bij de studenten aan wie ik lesgeef, dram ik dikwijls door over die authenticiteit, in de hoop dat ten minste een paar van hen het belang ervan inzien.’

“Als ik tijdens het maken begin te grijnzen, zit het beeld juist. Dat heeft te maken met zien dat mijn ziel erin zit.”

Vuurvlieg

‘Ik schets minder dan vroeger, en zeker minder gedetailleerd. Waar ik vroeger élk motiefje schetste, élk draadje aan een knoop van een vest, ben ik nu een pak losser. Als een tekst vereist dat ik rekening houd met de waarheid zal ik me natuurlijk voorbereiden. En vormen die ik goed ken – zoals een olifant of een mol – ontstaan dan wel rechtstreeks op het definitieve blad, maar voor een wrattenzwijn of vuurvlieg moet ik toch even oefenen. Photoshop gebruik ik nooit. Dan zou ik het gevoel hebben dat het beeld niet meer oorspronkelijk en van mij is. Het fysieke origineel vind ik net enorm belangrijk.’

Strebertje

‘Ik ga graag een uitdaging aan waarover ik onzeker ben, want dan bijt ik me eens zo hard vast. Het strebertje in mij wil het altijd beter, anders, verder. Dat lukt natuurlijk niet altijd, maar op technisch vlak merk ik toch dat ik met de jaren verbeterd ben. Anders dan in het begin moet ik geen stijl meer ontwikkelen die ontwijkt wat ik niet kan tekenen. Ik betrap mezelf erop dat mijn werk daardoor soms iets krijgt van “Kijk eens wat ik kan”. Dat gebrek aan twijfel geldt wel alleen voor het tekenen zelf. Al de rest dat bij een boek komt kijken, bijvoorbeeld zelf teksten moeten schrijven, bezorgt me nog altijd veel stress.’

Hoop

‘Na bijna elk boek beland ik twee, drie dagen in bed met koorts. De eindfase is dan ook heel heftig, zozeer dat ik niet meer buiten kom en mij niet meer scheer. Soms ben ik jaloers op collega’s die vrolijk een boek maken en dan gewoon blij zijn dat het in de winkel ligt. Versta me niet verkeerd: ik heb een geweldige job. Onlangs nog kreeg ik een bericht van een vrouw die vroeg of ze een tekening van mij mocht gebruiken op het doodsprentje van haar moeder. Zoiets bevestigt mijn hoop dat mijn werk betekenis heeft. Daarom ben ik ook altijd blij als ik op een rommelmarkt kom en er geen boeken van mij aantref. Idioot, hè?’

“Ik ga graag een uitdaging aan waarover ik onzeker ben, want dan bijt ik me eens zo hard vast. Het strebertje in mij wil het altijd beter, anders, verder. Dat lukt natuurlijk niet altijd, maar op technisch vlak merk ik toch dat ik met de jaren verbeterd ben.”

Buff Titanium

‘Als iets mij bevalt – een plaat, een restaurant, een vriendschap – blijf ik er supertrouw aan. Ook mijn materiaal koop ik altijd in dezelfde winkel. Bij Lucas Creativ weten ze wat ik nodig heb: goede acrylverf en de allerdunste penselen, type 0.0. Daarmee kan ik tientallen lagen verf bovenop elkaar aanbrengen. Met de jaren werd mijn aanpak alsmaar minutieuzer. Ik gebruik ook nooit kleuren rechtstreeks uit een tube, ik maak mijn eigen mengsels. Voor mijn nieuwste boek met Toon Tellegen, dat zich afspeelt in het bos, koos ik nooit standaardgroen, maar mixte ik dat met mijn geliefde Buff Titanium, een soort beige.’

Kunst in het hoofd

‘Ik ga graag op wandel door Instagram, op goed geluk. Al scrollend kom ik de meest verschrikkelijke beelden tegen, maar ook ontdekkingen. Over het algemeen kijk ik wel minder dan vroeger naar andermans werk, misschien omdat ik beter weet waar ik met het mijne naartoe wil. Kunstenaars zoals James Ensor, Norman Rockwell of Adrian Ghenie blijven een inspiratie, maar ik zal nooit iets van hen ophangen in mijn atelier. Het enige wat aan mijn muren komt, zijn mijn eigen illustraties. Als een boek bijna af is, kruip ik op een stoel en hang ik alles naast elkaar. Zo check ik of de volgorde van de kleuren en de algemene flow klopt.’

Italodisco

‘Decafeïné, dat is het verschil met vroeger. Ik drink nu veel minder echte koffie, maar qua hoeveelheid kom ik nog altijd aan ettelijke koppen per dag. Ik neem ze mee naar boven. Eens ik daar aan mijn tekentafel zit, gaat de muziek aan. Die kan donker of heel fout zijn, maar ze moet altijd iets dansbaars hebben. Ritme geeft me energie. De laatste tijd luister ik naar een mix van Francesca Belmonte, Billie Eilish, Tricky en Italodisco. Voor tekenen en verf mengen moet ik me focussen, maar mijn repetitieve schildertechniek laat het wel toe om mee te zingen. Wees maar zeker dat ik dat doe.’ (lacht)

“Ik wil nog zoveel doen, terwijl de tijd alsmaar sneller gaat. Pas wanneer ik effectief begin te tekenen of te schilderen, word ik rustig. De juiste textuur in de verf proberen bekomen, zoeken naar manieren om een boek van begin tot einde te doen kloppen: dat vind ik nog altijd geweldig.”

Onrust

Een deurejager. Dat is het dialectwoord voor een ongeduldig, onrustig persoon zoals ik. Ik neem me zo vaak voor om wat meer zen te zijn, maar na tien minuten in de zetel of in de tuin liggen, begint mijn hart al sneller te slaan en moet ik aan het werk. Ik wil ook nog zoveel doen, terwijl de tijd alsmaar sneller gaat. Pas wanneer ik effectief begin te tekenen of te schilderen, word ik rustig. De juiste textuur in de verf proberen bekomen, zoeken naar manieren om een boek van begin tot einde te doen kloppen: dat vind ik nog altijd geweldig. Elke keer dat het lukt, ervaar ik weer dat heerlijke gevoel van gelukzaligheid.’



Deel dit artikel: