In het atelier van Alain Verster

Hoe ziet de werkruimte van illustratoren eruit? Wat zijn hun rituelen, talismannen en eigenaardigheden? Waaruit putten ze inspiratie en hoe komen ze tot hun beste werk? Journaliste Katrien Steyaert mag binnenkijken in hun ateliers en in hun creatieve geesten. Michiel Devijver maakt er foto’s bij. Deze keer: op bezoek bij Alain Verster in Ekeren.

door Katrien Steyaert | foto's: Michiel Devijver
© Michiel Devijver | Iedereen Leest

Kijken in stereo

‘Eén boek, één jaar – dat is zowat mijn tempo. Mocht ik het verhogen, ik zou mezelf verbranden, denk ik. Voor ik in een nieuw boek kan rollen, moet ik altijd eventjes uit het vorige groeien. Ook het illustreren zelf vraagt tijd. Soms werk ik weken aan één tekening tot ik het niveau bereik dat ik wil. Tijdens de vele uren in Photoshop open ik meestal een tweede venster waarin ik naar Terzake, Netflix-series of films kijk. Het is noodzakelijke afleiding voor mij, maar het geeft ook visuele prikkels. Zo keek ik tijdens het maken van Vasco, het voetbalvarkentje naar Jaws, waarna ik de poster van de film in het boek smokkelde.’

Ventoux

‘Mijn atelier moet gezelligheid en schoonheid uitstralen. Er staan kunst- en prentenboeken, maar ook platen- en cd-hoezen waarnaar ik kan grijpen ter inspiratie. De cover van Rats van Balthazar vind ik bijvoorbeeld fantastisch mooi. Aan mijn muur hangt vaak het storyboard van het boek waaraan ik bezig ben zodat ik kan afvinken wat ik al gedaan heb. Ik heb dat soort structuur nodig. Op mijn bureau staat een wielrennertje, een herinnering aan toen ik met vrienden de Mont Ventoux beklom. Met een paar van die mannen van de Chiro speel ik op zaterdag zaalvoetbal – ideaal om de spanning van de werkweek eruit te shotten.’

Nachtwerk

‘Ik supporter elk jaar heviger voor den Antwerp, maar toen ik als kind moest kiezen tussen gaan trainen of naar de tekenschool gaan, koos ik het laatste omdat ik dat nóg interessanter vond. Telkens als ik cartoons natekende of een nieuwe prent maakte, werd ik daar rustig van. Ook nu geraak ik op mijn beste momenten in the zone. Dan verdwaal ik zo in een boek dat het plots vier uur ’s nachts is. Ik werk sowieso het liefst ’s avonds en ’s nachts. Dan is het aangenaam stil. Mijn bureaulamp en computerscherm zijn de enige lichtpunten in het donker, waardoor ik in mijn cocon kan kruipen – heel prettig.’

“Voor ik in een nieuw boek kan rollen, moet ik altijd eventjes uit het vorige groeien. Ook het illustreren zelf vraagt tijd. Soms werk ik weken aan één tekening tot ik het niveau bereik dat ik wil.”

Tovertape

‘Mijn werkwijze ontstond per toeval. Toen ik tijdens een opdracht in de hogeschool crêpetape van een geprinte foto trok, bleef er op de tape een ruwe doordruk achter. Het tactiele en verweerde daarvan sprak me direct aan. Ook als ik schets, is dat nooit afgelijnd. Zo laat ik meer open voor suggestie. Ik werd daarin gestimuleerd door gepassioneerde leerkrachten zoals Carll Cneut. Mede dankzij hem vond ik mijn identiteit. Vandaag werk ik nog altijd met de doordrukken, die ik inscan en een plaats geef in mijn digitale collages. Tijdens workshops vinden kids het altijd magisch als ze met mijn tape een foto kunnen ontdubbelen.’

Rinus

‘Ik haal veel voldoening uit jonge gasten zien ontbolsteren. Ik geef 20 uur les per week, in het middelbaar en in de academie van Brasschaat, en het is altijd plezant als de kinderen iets ontdekken waarvan ze niet wisten dat ze het in zich hadden. Ik laat hen ook kennismaken met kunstenaars, van Magritte tot Banksy. Die keuze maak ik gevoelsmatig. Als ik een filmpje over Rinus Van de Velde toon, is dat omdat ik zijn houtskoolwerk zélf prachtig vind. Door alle deadlines blijft er weinig tijd over om zelf naar tentoonstellingen te gaan, maar op internet is er ook eindeloos veel te bekijken.’

Eureka

‘Eigenlijk is het maf hoe het werkt: ik sla continu dingen op in mijn hoofd – een mooie kleurencombinatie die ik zie, een houding van iemand die uit de bus stapt – en aan mijn tekentafel komt er dan uit wat ik nodig heb. Ik mag daar niet te veel op doordenken, anders loopt het de volgende keer misschien niet meer zo natuurlijk. Ook beslissen wanneer een tekening af is, doe ik intuïtief. Vaak werk ik laat ’s avonds iets af, waarna ik het ’s morgens met een frisse blik herbekijk. Als de compositie, de kleuren en het gevoel nog kloppen, voel ik: Eureka! Elke keer opnieuw ga ik op zoek naar dat gevoel.’

“Eigenlijk is het maf hoe het werkt: ik sla continu dingen op in mijn hoofd – een mooie kleurencombinatie die ik zie, een houding van iemand die uit de bus stapt – en aan mijn tekentafel komt er dan uit wat ik nodig heb.”

Meningen

‘Ruim 1.000 foto’s heb ik, geordend in thematische mapjes op mijn computer: mensen, dieren, planten, huizen. Ik stel er mijn moodboards mee samen. Voor elk boek maak ik er zo één. Ik toon het hooguit aan mijn vriendin, aan de schrijver met wie ik samenwerk en aan Marita (Vermeulen van uitgeverij De Eenhoorn, red.). Ik los het liefst alles zelf op. Het fijne is dat Marita goed aanvoelt welke teksten bij mij passen: verhalen die mij raken, bijvoorbeeld over faalangst of vriendschap, en die toch iets lichts hebben. Ze mogen zeker niet te beschrijvend zijn zodat ik genoeg vrijheid krijg om ook mijn verhaal te vertellen.’

Blijven pushen

‘Vroeger was ik bang voor kleur. In mijn brave, eerste boeken vind je hooguit een tikje blauw. Maar ik vind dat je nooit mag blijven ploeteren in hetzelfde bad en dus ging ik meer en fellere kleuren gebruiken. Op mijn bureaublad staat een kleurenkaart van Wes Anderson, die in zijn films heel slim met tinten speelt. Ik push mezelf ook om mijn composities complexer te maken, anders wordt het te saai voor mezelf én voor de lezers. Die appreciëren vaak het nostalgische van mijn stijl. Misschien is die te linken aan mijn zorgeloze jeugd? Ik vind vooral dat dingen van vroeger vaak een grotere schoonheid hebben.’

Koffie en chocolade

‘Het is gewoon zalig als een illustratie op twee, drie dagen klaar is. Maar in elk boek zitten ook prenten waarbij het een echte struggle was om de compositie of de verhoudingen goed te krijgen. Ik panikeer nooit. Ik blijf gewoon prullen. En als dat niet helpt, ga ik in de garage een houten kapstok of een tafeltje maken. Of ik drink nog een straf koffietje. Ik jaag er zo echt véél door als ik aan het werk ben. Niet gezond, net als mijn chocoladeverslaving, maar het geeft wel een kick. Gezondheid is sowieso van ondergeschikt belang als ik helemaal gefocust ben op een project.’

“Vroeger was ik bang voor kleur. In mijn brave, eerste boeken vind je hooguit een tikje blauw. Maar ik vind dat je nooit mag blijven ploeteren in hetzelfde bad en dus ging ik meer en fellere kleuren gebruiken. ”

Losgehen

‘Zijsporen brengen me vaak verder. Als ik geboortekaartjes of vrij werk voor tentoonstellingen maak, sluipt wat ik daarin uitprobeerde later in een boek. Ik hoop dat ik die afwisseling kan blijven inbouwen, al blijft prentenboeken maken toch het speciaalst. Ik kan er de kinderlijke fantasie in kwijt die ik in dit volwassen leven weleens mis. Zeker als ik dieren mag tekenen en dus niet vastzit aan de menselijke morfologie kan ik helemaal losgehen. Mijn werk voelt daardoor bijna nooit als werk. Ik hoop het nog heel lang te mogen doen en te mogen blijven groeien.’



Deel dit artikel: