De vijf van Stefan Boonen

'I read a book one day and my whole life was changed', zei auteur Orhan Pamuk ooit. Dat boeken een impact kunnen hebben, ervaren veel lezers. Maar sommige beïnvloeden, sturen of bepalen zelfs je leven. Journaliste Katrien Steyaert peilt voor deze reeks naar de 'beste vijf' van auteurs en illustratoren. Met welke boeken groeiden ze op en met welke worden ze oud? Deze keer: auteur Stefan Boonen.

door Katrien Steyaert
© Michiel Devijver | Iedereen Leest

De beste boeken doen Stefan Boonen vergeten dat hij zelf schrijver is. 'Dan word ik alleen maar meegesleurd in het verhaal', zegt hij. 'Tegen het einde heb ik zoiets intens meegemaakt dat ik een iets ander mens ben dan toen ik eraan begon.'

1. ’Pachinko’ – Min Jin Lee

'Ik bleef in het middelbaar, in de richting schrijnmakerij, twee keer hangen. Nu heb ik spijt dat ik niet meer gedaan heb voor school, maar gelukkig waren er boeken. Mijn moeder las het liefst Konsalik en mijn vader oorlogsromans, maar goed, ze gaven het voorbeeld. Ik kon ook naar de bibliotheek van Hamont-Achel en daardoor ben ik echt wijzer geworden. Dat gevoel van 'Wow, hier gaat een wereld voor mij open' had ik de laatste jaren onder andere in Pachinko. Dat meeslepende verhaal begint met een onschuldige affaire die een schaduw werpt over de volgende 100 jaar van een Koreaanse familie. Ze moeten verhuizen naar Japan, waar Koreanen als tweederangsburgers worden behandeld. Het is een pijnlijk stuk geschiedenis dat ik totaal niet kende en waar je in boeken heel fijnmazig over kan vertellen. Ik sneed zelf al zware thema’s aan, zoals zelfmoord, en kreeg dan reacties van lezers dat ze er troost in vonden, dat ze zich minder alleen voelden.

Bij de beste leeservaringen raak je ontzet over wat personages overkomt. Ik had het een paar keer bij Pachinko. Dit zijn mensen die de speelbal zijn van grote gebeurtenissen, maar het zichzelf door hun relaties of koppigheid nog moeilijker maken. Zo wil ik het ook in een roman; ze leefden nog lang en gelukkig is me te saai. Ik heb wel graag een beetje licht. Daarom was ik blij dat Pachinko eindigt met hoop. Lee schrijft ook sierlijk, maar altijd in functie van haar personages en hun ontwikkelingen. Zo'n stijl vind ik inspirerend. Net zoals elk ander sterk boek gaf dit me vooral veel goesting om zelf te blijven schrijven.'


2. ‘Bidden wij voor Owen Meany’ – John Irving

'Ik werk op dit moment aan het langste verhaal dat ik ooit schreef, maar ik ben te ongeduldig van aard om levensomvattende romans zoals Pachinko of zoals die van John Irving te schrijven. Als twintiger keek ik altijd uit naar zijn volgende klepper, want dan kon ik weer lekker lang met zijn verhaal meeleven. Ik ben mijn lievelingsschrijvers dankbaar voor die vele uren leesplezier. En met leesplezier bedoel ik dat ik me geamuseerd heb – met Bidden wij voor Owen Meany heb ik zo hard moeten lachen – maar dat ik ook ontroerd werd. Irving is zo'n enorme vakman omdat hij de twee weet te combineren. Ik herinner me een scène waarin Owen als een engeltje opgehangen is in een kerstspel, en dat tegelijk grappig én tragisch is. Hij is zo’n typisch Irving-personage dat net boven de werkelijkheid zweeft en onwaarschijnlijke dingen meemaakt, maar een straffe schrijver als Irving komt daarmee weg.
Hij slaagt erin mij Owen sympathiek te laten vinden, ondanks diens rare uiterlijk en hoge piepstemmetje, omdat hij zich tegen beter weten in probeert te ontworstelen aan zijn lot. Het lukt hem niet helemaal, maar hij komt wel een heel eind. Mijn eigen leven is lang niet zo absurd of duister als dat van hem, maar ik herken wel het onverwachte. In romans als deze word je eraan herinnerd dat je een beetje moet openstaan voor de dingen die plots je leven binnenwandelen. Maar het mooiste aan dit onvergetelijke boek is voor mij de band tussen Owen en de verteller. Vriendschappen zijn voor mij belangrijk en als een schrijver erin slaagt te tonen hoe twee mensen elkaar dragen dan vind ik dat heel krachtig.'

“In romans als deze word je eraan herinnerd dat je een beetje moet openstaan voor de dingen die plots je leven binnenwandelen.”

3. ‘Waarover ik praat als ik over hardlopen praat’ – Haruki Murakami

'Het volstaat niet dat je talent hebt, je moet er ook nog iets mee doen. Die waarheid zet Murakami heel juist in de verf in dit boek. Maar voor mij ging het hem vooral om dat hardlopen uit de titel. Ik zit zelf bij een atletiekclub en ga drie, vier keer per week lopen om in conditie te blijven. Als het eens niet lukt, voel ik een soort ongemak waardoor ik ook minder gemakkelijk schrijf. Net de verwantschap tussen die twee activiteiten vond ik zo herkenbaar bij Murakami. Ik weet niet hoe het precies werkt, maar net als hij heb ik het lopen nodig om geconcentreerd te kunnen werken. Het is niet dat ik onderweg inzichten of ingevingen krijg, dat overkomt me alleen soms al wandelend, maar ik neem iets van het eenzelvige van het lopen mee naar mijn bureau. Ik hoop dus maar dat mijn 53-jarige lijf nog lang mee wilt.

Murakami zal nog lang meegaan, vermoed ik, ook als schrijver. Maar hij kijkt heel nuchter naar zijn succes. Hij ontdoet zijn werk – met opzet, vermoed ik – van poëzie en wijst op vakmanschap. Zo krijg je zicht op hoe hij verhalen bouwt en daar lees ik graag over. De titel van dit boek verwijst trouwens naar What We Talk About When We Talk About Love van Raymond Carver, een van die weinige steengoede kortverhalenschrijvers. Ik heb het lang geleden weleens geprobeerd, maar er schortte vanalles aan mijn teksten. Carver, daarentegen, heeft je in het korte bestek van zijn verhalen altijd al na drie regels mee. Hij toont maar een stukje van een leven en toch voelt het alsof je dat leven helemaal leert kennen, alsof je er er de belangrijkste momenten van meemaakt.'


4. ‘De sneeuwganzen’ – William Fiennes

'Zelfs de meest betekenisvolle boeken herlees ik niet. Zowat de enige uitzondering daarop is De sneeuwganzen, waarin een Engelse jongeman vertelt hoe hij na een periode van ziekte een beetje vastloopt in zijn bestaan. Hij komt weer los dankzij een boek waarop hij per toeval stoot en waarvan hij zich herinnert dat het ooit aan hem is voorgelezen. Ziedaar de kracht van kinderboeken! In Fiennes' geval gaat het verhaal over een sneeuwgans en hij besluit om die dieren achterna te reizen op hun jaarlijkse trek van Mexico naar Canada. Onderweg gebeurt er niets spectaculairs. Hij wordt niet bedreigd, beleeft geen romance, nee, de ganzen stijgen gewoon op en dalen weer, het waait weleens hard, hij ontmoet hier en daar iemand. Het raakte me met hoeveel warmte hij die toevallige passanten beschrijft. Maar het belangrijkste van het boek vind ik de geweldige zinnen en zijn algehele schoonheid. Hoe Fiennes beschrijft dat de vogels opstijgen terwijl het zonlicht op hun vleugels schittert – prachtig. Het leest alsof ik er zelf bij was. Sterker nog: het gaf mij het gevoel zelf zo'n reis te willen ondernemen.
Doordat ik een gezin en hobby's heb, was ik nog nooit zo lang alleen onderweg. Ik zocht nog geen antwoord op de nochtans interessante vraag hoe het is om jezelf dan tegen te komen. Maar ik droom er wel van dat ooit te doen. Een tijd geleden dacht ik achter de lynx aan te gaan, ik geloofde dat ik er een had gezien in Heverleebos. De lokroep bleek toch niet sterk genoeg. Zo'n project moet vanuit iets dieps vertrekken. Maar de dag dat ik mijn sneeuwgans vind, ben ik weg.'

“Zelfs de meest betekenisvolle boeken herlees ik niet. Zowat de enige uitzondering daarop is 'De sneeuwganzen'.”

5. Verzamelde gedichten – Rutger Kopland

'Elk jaar komt er wel een paar keer poëzie aanwaaien. Dat is dan meestal omdat ik in een melancholische stemming ben en troost, schoonheid of inspiratie zoek in gedichten. In het beste geval zijn zij een samenballing van het leven, iets waarin de dichter precies verwoordt wat je denkt of, beter nog, wat je zelf niet bedacht krijgt. Bij Kopland vind ik altijd wat ik zoek. Begin dit jaar, toen mijn moeder overleed, had ik het weer. Ik dacht meteen aan het gedicht Weggaan omdat het paste bij de manier waarop mijn moeder is gestorven. De laatste maanden waren een hoop gedoe en ellende waardoor het einde, zeker voor haar, een opluchting was. Ze was 87, had een waardevol leven gehad en ook ik kon daar met liefde en warmte op terugkijken. Die dankbaarheid overheerst bij Kopland als hij schrijft: 'Niemand neemt afscheid want je gaat niet weg'.
In mijn bureau hangt Onder de appelboom. Daarin zit een superschoon beeld van een man die kijkt naar zijn buurman en hoe die bij valavond het blauwe licht van de nacht naar boven spit. Daarna verliest hij zich in mijmeringen over zijn kindertijd, tot zijn vrouw naast hem komt zitten. Het is typisch Kopland: herkenbaar, helder, diepgaand. Hij is geen Dirk De Wachter die zegt hoe we (on)gelukkig moeten zijn, hij kijkt gewoon naar de dingen en schrijft er iets schijnbaar eenvoudigs over op. Het geeft je als lezer weer dat gevoel niet alleen te staan, even feilbaar te zijn als alle anderen, maar wel te mogen delen in een grote liefde voor het leven. Als een schrijver daarin slaagt, vind ik dat nog elke keer bijzonder.’

“Elk jaar komt er wel een paar keer poëzie aanwaaien. Dat is dan meestal omdat ik in een melancholische stemming ben en troost, schoonheid of inspiratie zoek in gedichten.”

© Michiel Devijver | Iedereen Leest


Deel dit artikel: