De vijf van Annet Schaap

‘I read a book one day and my whole life was changed’, zei auteur Orhan Pamuk ooit. Dat boeken een impact kunnen hebben, ervaren veel lezers. Maar sommige beïnvloeden, sturen of bepalen zelfs je leven. Journaliste Katrien Steyaert peilt voor deze reeks naar de 'beste vijf' van auteurs en illustratoren. Met welke boeken groeiden ze op en met welke worden ze oud? Deze keer: auteur Annet Schaap.

door Katrien Steyaert
© Michiel Devijver | Iedereen Leest

‘De belangrijkste boeken in mijn leven boden me troost’, zegt Annet Schaap. Ze is dan ook geboren met een droevigheid die ze meestal minder terugvindt bij andere mensen dan bij bijzondere personages.

1. ‘Kees de jongen’ – Theo Thijssen

‘Het allerliefst lees ik boeken die gaan over kinderen of door hun ogen kijken, want in die jonge jaren zit voor mij het meest ziel. Hoe ik als tienjarige dacht en voelde, onbevangen en onbeschermd, vind ik nog altijd heel waardevol. Daarom maak ik ook kinderboeken, denk ik.

De liefde voor kinderen vind ik heel erg terug in Theo Thijssens prachtboek Kees de jongen. Het kwam uit in 1923, maar het verhaal voelt nog dichtbij. Kees, de zoon van een schoenmaker, wordt gedwongen om volwassen te worden doordat zijn vader doodgaat. Lezen over dat soort verlies lijkt misschien niets voor een jong meisje, maar ik was destijds ook nieuwsgierig naar volwassen onderwerpen. Bovendien was Kees de jongen in huis, want het was het lievelingsboek van mijn opa en van mijn moeder. Het sterke eraan is dat je de dingen bekijkt door Kees’ ogen én door die van de oudere schrijver die alles overziet. In tedere bewoordingen toont hij hoe dapper Kees zichzelf rechthoudt. Hij lijkt een hele gewone jongen, maar dankzij zijn fantasie krijgt hij een bijna magische kracht. Als hij bijvoorbeeld een meisje en haar moeder ziet lopen, denkt hij: Wat als dat meisje nu voor de tram kwam en ik haar nog net redde?

Dat soort romantische fantasieën over jezelf herkende ik. Mijn opa had ze ook. Net als ik leefde hij met het droeve en tegelijk blije besef dat mensen niet weten hoe bijzonder we eigenlijk zijn, hoeveel we zouden kunnen verwezenlijken. Mocht iedereen zo naar zichzelf en de wereld kijken, op Kees’ manier, het zou zoveel moois opleveren.’

“Het soort romantische fantasieën over jezelf herkende ik. Mijn opa had ze ook. Net als ik leefde hij met het droeve en tegelijk blije besef dat mensen niet weten hoe bijzonder we eigenlijk zijn, hoeveel we zouden kunnen verwezenlijken.”

2. ‘Wim’ – Wim Hofman

‘Dat ik op mijn twaalfde allerlei dingen ging opschrijven, is dankzij Wim Hofman. Die had in Wim een allenig jongetje neergezet dat door zijn dorp aan zee zwerft en daarover met Oost-Indische inkt gedachten neerpent in een boekje. Ik kocht meteen ook een boekje en inkt.

Ik wás dat eenzame kind, niet omdat, zoals bij Wim, mijn ouders gescheiden en afwezig waren, maar omdat ik geboren ben met een soort troosteloosheid. Ik voelde me nooit helemaal op mijn plek en kon dat niet goed delen met anderen. Mijn ouders begrepen het bijvoorbeeld niet. Nu ik zelf moeder ben, besef ik dat zij natuurlijk wilden dat ik gewoon blij was. Maar licht en donker horen allebei bij het leven. En dus ook in een kinderboek. Hofman begrijpt dat. In zijn verhalen en tekeningen vond ik iets gelijkgestemds. Boeken zoals die van hem waren voor mij belangrijker dan mijn vriendjes. Ze troostten me.

Lampje is gegroeid vanuit het idee dat het moest gaan over een meisje dat én verdriet én zin voor avontuur voelde. Dat zoveel kinderen daar vandaag over blijken te willen lezen, maakt me blij en tegelijk van slag. Had ik nou maar eerder geweten dat ik niet alleen was met mijn gevoelens…

Tijdens het schrijven van Lampje heb ik bewust hoofdstukken uit Wim herlezen. Ik wilde me spiegelen aan die taal en zinnen waar ik zo dol op ben. Er zit dat knikje in dat ze zo anders maakt dan hoe mensen gewoonlijk schrijven. Ik ben als maker wel eigengereid, maar de allergrootsten kunnen me dus wel degelijk inspireren.’


3. ‘The Book of Strange New Things’ – Michel Faber

‘Anders dan Hofman heb ik niets tegen happy endings. Ik vind het zelfs mijn verantwoordelijkheid om boeken voor kinderen niet in hopeloosheid te laten eindigen. Auteurs voor volwassenen mogen dat uiteraard wel, op voorwaarde dat het goed gedaan is. The Book of Strange New Things is zo’n roman waarvan ik de akeligheid kon verdragen omdat hij met hart geschreven is.

Ik las het niet zo lang geleden en was omvergeblazen door zijn volstrekt originele karakter. Faber verweeft twee verhalen: in het ene volgen we een dominee die naar een andere planeet trekt, waar een rare kudde Jezus lovers woont. Ze zijn gefascineerd door Christus en de Bijbel. Tegelijkertijd is er de dominees vrouw die thuisblijft en hem mailt over hoe de aarde een soort Wild Westen wordt. Het klimaat is naar de haaien, er worden mensen vermoord.

Het haakte in op de angst die ik soms voel over de veranderende wereld. Wie weet waar het naartoe gaat? Ik denk niet dat ik daarin de enige ben en net omdat Faber inspeelt op die herkenbare gevoelens, zonder te nadrukkelijk een boodschap te verkondigen, is dit zo’n sterk boek.

Het riep veel op bij mij: bevreemding, verwondering, boosheid ook, tegenover de dominee. Hij raakt steeds meer gefascineerd door zijn planeet en drijft alsmaar verder weg van zijn vrouw, die bovendien zwanger blijkt te zijn. Ik kon zo goed met haar meeleven dat ik het allemaal des te hartverscheurender vond. Als ik binnenkort de tijd en rust vind, ga ik dit zeker herlezen.’


4. ‘Momo en de tijdspaarders’ – Michael Ende

‘Toen ik mijn eigen echtgenoot leerde kennen, heb ik hem Momo en de tijdspaarders voorgelezen, niet alleen omdat het een lieveling uit mijn kindertijd is, maar ook omdat ik het heel erg een boek voor hem vond vanwege de achterliggende filosofie. Het is een symbolisch sprookje over de moderne wereld waarin niemand meer tijd heeft en over het koesteren van je eigen tijd.

Dat had ik als kind natuurlijk niet in de gaten. Toen vond ik het gewoon een heel fijn avontuur met schurkachtige tijddieven, een verhalenverteller en vooral een prachtig hoofdpersonage: Momo, een soort zachtere versie van Pippi Langkous die alleen in een groot amfitheater woont. Mensen komen haar eten en dekens brengen en zij helpt hen door naar ze te luisteren. Doordat de mensen gewoon aan het meisje kunnen vertellen waar ze mee zitten, worden hun zorgen opeens minder erg of vallen de dingen op hun plaats. Dat vond ik bijzonder. Ook als de kinderen van de buurt met Momo spelen, kunnen ze opeens mooier spelen. Dat sprak me erg aan.

Eigenlijk is Momo even wonderlijk naïef als mijn Lampje, maar dan zonder het plichtsgevoel dat zij heeft. Momo is zo’n sterk en levend personage dat je het erbij neemt dat de boodschap van het boek er een beetje dik op ligt. Net als Kees en Wim is Momo iemand van wie ik het gevoel heb dat ik haar echt gekend heb. Ze woont in mij en ik denk nog veel aan haar. Een goed boek draait dus om veel meer dan de taal en de plot alleen.’

“Momo is zo’n sterk en levend personage dat je het erbij neemt dat de boodschap van het boek er een beetje dik op ligt. Momo is iemand van wie ik het gevoel heb dat ik haar echt gekend heb. Ze woont in mij en ik denk nog veel aan haar. Een goed boek draait dus om veel meer dan de taal en de plot alleen.”

5. ‘Room’ – Emma Donoghue

‘’s Zomers gaan we vaak zes weken naar Canada en een van de redenen waarom ik me daar telkens zo op verheug, is omdat ik dan heerlijk kan lezen, niet afgeleid door e-mails, telefoons of Facebook. Dan kunnen leeservaringen weer intens worden, zoals die keer met Room, een boek waaraan ik nog lang daarna hebben zitten denken.

De schrijfster, Emma Donoghue, creëert een heel eigen universum door een moeder en haar zoontje op te sluiten in een kamer. Voor het jongetje, dat er geboren is, is het zijn hele wereld. Zijn moeder is de bron van alles. De volkomen tweeheid tussen de personages, de enorme liefde tussen hen, vond ik prachtig en herkenbaar. Ik had toen zelf een jong zoontje.

Het is bijna ongelooflijk dat wanneer het boek opent het jongetje nog maar vijf is, want hij is al rijk vanbinnen. Toch is hij geloofwaardig vijf. Dat komt omdat Donoghue hem serieus neemt. Ze gaat niet boven of buiten hem staan, maar kruipt helemaal in hem.

Ze schreef bovendien een vreselijk spannend boek, want moeder en zoon blijken gevangengehouden te worden. Ze ontsnappen ternauwernood, waarna de kennismaking met de buitenwereld volgt. Alles verandert voor het kind, ook de verhouding met zijn moeder.

Het is allemaal zo rustig en natuurlijk beschreven, met goede dialogen en zin voor timing – dat vind ik belangrijk – dat het boek helemaal klopt. Ik wil het graag herlezen, ja, zelfs al vertrekt het van een verschrikkelijk, beklemmend gegeven. Had ik al gezegd dat ik van psychologische heftigheid houd?’ (glimlacht)



Deel dit artikel: