De leeswereld van Mustafa Kör

'Lezen is denken met andermans hoofd', zei Schopenhauer. Maar wat zoeken we in dat andere hoofd? Is het rust, verstrooiing, kennis? Dit is Leeswereld, een interviewreeks over de rol van lezen, over schoonheid, over taal. Deze aflevering: Mustafa Kör, dichter.


door Matthias M.R. Declercq
© Michiel Devijver | Iedereen Leest

'Ik ben in zes boeken tegelijk bezig', zegt hij. 'Zes totaal verschillende verhalen. De boeken liggen verspreid in huis. Momenteel lees ik een wat vreemde biografie over Napoleon. Wie was hij? Hoe was hij als mens?' Mustafa Kör is geen historicus, maar een bekroonde schrijver. Hij debuteerde in 2007 met de roman De Lammeren en voegde daar later dichtbundels als Ben jij liefde en Poëziejongens aan toe. Kör was ook stadsdichter van Genk, begeleidt jongeren bij het schrijven en woont nu in de buurt van Leuven, in een huis vol boeken. 'Het zijn er ongeveer tweeduizend', zegt hij.

Grote russen

Deze man lijkt de ultieme veelvraat. Hij combineert kinderboeken met romans, non-fictie en poëzie. 'Naast de biografie van Napoleon ligt Dode zielen van Nikolaj Gogol opengeklapt - ik houd van de grote Russen -, lees ik Op aarde schitteren we even van Ocean Vuong, ben ik bijna klaar met De knetterende schedels van Roger Van de Velde en legt Loyaliteit van ex-FBI-directeur James Comey me uit hoe macht functioneert onder Trump.' Kör moet even denken. Hij krabt in zijn ravenzwart haar. 'O ja, Why I’m no longer talking to white people about race van Reni Eddo-Lodge ben ik ook aan het lezen.'
En zeggen dat Mustafa Kör tot zijn twintiger jaren nooit las. Nooit.

Duivelsberg

© Michiel Devijver | Iedereen Leest

De aanleiding voor het lezen (en schrijven), de bron waaruit alles is ontstaan, is even hard als nietsontziend. In de jaren negentig was Mustafa een jongen die de wereld omhelsde. Hij runde een kebabzaak en een bouwbedrijf, en dacht er aan te verhuizen naar Nieuw-Zeeland. Daar lag zijn toekomst, 'tussen die miljoenen schapen', zegt hij. Op een dag in 1998 rijdt hij met de auto naar een voetbalwedstrijd van een lokale ploegje, in Opgrimbie, in het oosten van Limburg. Als sponsor zou hij er de aftrap geven. Op weg naar de wedstrijd, op de Duivelsberg, valt hij in slaap achter het stuur en knalt op een boom. Hij breekt zijn rug en ligt twee jaar lang in een ziekenhuis. Een dwarslaesie. Helse pijnen houden hem wakker, de ene operatie volgt op de andere, om dan uiteindelijk thuis te komen in een rolstoel en naar de muur te staren. Hij zal nooit meer kunnen wandelen.

'Ik ben een kind van zo'n typisch migrantengezinnetje', zegt hij. 'Mijn vader vertrok al vroeg naar België, werkte er in de mijnen. De hele tijd pendelden mijn ouders tussen België en Turkije, jarenlang, tijdje hier, tijdje daar. Ik ben de jongste van zes, een echt nakomertje. Mijn belangrijkste jeugdjaren, wanneer je 8 à 10 jaar oud bent, bracht ik door in een Turks plattelandsdorpje van honderd zielen. Een bucolische plek, waar je zorgt voor de akkers, waar je kijkt naar de oogst, waar de elementen het ritme bepalen. Schapen, regen, stallen. Cultuur was een luxe in dat dorp. Dat was het ook toen ik als prille tiener opnieuw in België aankwam. Mijn jeugd bestond niet uit boeken. Ook niet toen ik in slaap viel op de Duivelsberg. 

“Langzaamaan begonnen ik mijn gedachten en emoties op te schrijven, de worstelingen, maar evengoed schreef ik over een dode mus. Die krabbels werden verhalen, en toen ik op een workshop auteur Koen Peeters leerde kennen, zei hij: 'Mustafa, jij moet lezen. Ja, lezen, lezen, lezen.'”

Plots was alles anders. Ik voelde me een vis die in een ander aquarium wakker werd. Mijn biotoop was veranderd, mijn blik ook. De eerste jaren keek ik altijd naar benen. Ik zag de fijne motoriek van het wandelen. Dat begeesterde me. Ik zag heldere beelden voor ogen van mijn jeugd in Turkije en dacht na over mijn vrienden, mijn familie, over de plek van mijn eerste kus, mijn eerste doelpunt, mijn eerste valpartij. Als een gedetineerde die vrij komt keek ik naar de wolken en rook aan het gras. 

Langzaamaan begonnen ik mijn gedachten en emoties op te schrijven, de worstelingen, maar evengoed schreef ik over een dode mus. Die krabbels werden verhalen, en toen ik op een workshop Koen Peeters (auteur van De mensengenezer) leerde kennen, zei hij: 'Mustafa, jij moet lezen. Ja, lezen, lezen, lezen.' Hij aarzelt even en kijkt door het raam. Of hij zonder het ongeluk op de Duivelsberg nu nog kebab zou verkopen? 'Not likely', zegt hij. 'Er school als kind al een dromer in mij, een fantast.

Zo ontdekte ik mijn talent. En daar ben ik dankbaar om, te weten dat ieder mens er wellicht maar één bezit, al is het boogschieten of pannenkoeken bakken. Veel kans dat je dat talent overigens nooit ontdekt. Uiteindelijk zijn we allemaal maar kopieën van onze ouders of grootouders, afgeleiden van onze entourage, onze omgeving, de tijdsgeest, enzovoort, en bepaalt dat je studiekeuze en al wat er volgt. Ik ben blij dat ik mijn talent heb kunnen cultiveren en verfijnen.’

Spiegel

“Lezen is niks anders dan de existentiële zoektocht naar jezelf, en naar de ander. Het is een gids die leidt tot het besef dat je niet alleen bent.”

'De voeten van Abdullah, van Hafid Bouazza, is een van de eerste boeken die op mijn pad kwam. Na hem zijn dus tweeduizend boeken gevolgd. Ik begaf me in een totaal nieuwe wereld van lezen en schrijven. Ik wist niet eens wat lyriek is, wat een adjectief is en wat evoceren betekent, maar ik wist wel dat mijn toekomst in die wereld lag. Telkens ik het huis verliet kwam ik terug met zeventig euro aan boeken. Fictie, non-fictie, dichtbundels, het hield niet op.
Lezen stond voor ontwaken, voor de zoektocht naar de wereld om me heen. Lezen gaf me informatie over mezelf, boeken hielden me een spiegel voor, lieten me ook toe het tijdsgewricht waarin ik leef beter te begrijpen. Lezen is niks anders dan de existentiële zoektocht naar jezelf, en naar de ander. Het is een gids die leidt tot het besef dat je niet alleen bent. Nu lees ik om me te herkennen in de ander, in de gevoelens van de ander, in de persoonlijke verhalen. Daarom schrijf ik ook, en niet om wat is gebeurd te verwerken. Schrijven is voor mij geen therapie.'

Dorpswijze

© Michiel Devijver | Iedereen Leest

'Ik heb het mezelf ook afgevraagd: hoe komt het dat de literatuur in me tot bloei kwam? Blijkt dat mijn grootvader, de vader van mijn moeder, een eeuw geleden een bibliotheekje bezat, in een klein Turks dorp. Hij stierf toen mijn moeder één jaar oud was. Kennelijk was hij de dorpswijze, de hodja bij wie mensen te rade gingen. Zijn naam was ook Mustafa. Misschien heb ik de liefde voor boeken van hem geërfd.

Die liefde geef ik door aan mijn kinderen. Dat lukt. Eén dag niet voorlezen en ze zijn kwaad. De naam van onze ene zoon is Arabisch voor 'de luisteraar', de andere Turks voor 'epos, legende.' (lacht) Namen zijn belangrijk. Al hoor ik mijn eigen naam niet graag, 'Mustafa' betekent wel 'de uitverkorene'.



Deel dit artikel: