De leeswereld van Mathilda Masters

Lezen is denken met andermans hoofd, zei Schopenhauer. Maar wat zoeken we in dat andere hoofd? Is het rust, verstrooiing, kennis? Dit is Leeswereld, een interviewreeks over de rol van lezen, over schoonheid, over taal. Deze aflevering: Mathilda Masters, jeugdauteur.

door Matthias M.R. Declercq
© Michiel Devijver en Iedereen Leest

De torens van februari, een boek van de Nederlandse jeugdauteur Antonia Johanna Willemina Dragt, beter bekend als Tonke Dragt, is een van de belangrijkste boeken uit het leven van Hilde Smeesters, beter bekend als Mathilda Masters, eveneens jeugdauteur. ‘Dat is het eerste boek waar ik als kind echt moeite voor moest doen om het te begrijpen, na oneindig veel vergeefse pogingen’, zegt ze.

© Michiel Devijver en Iedereen Leest

In De torens van februari loopt de veertienjarige Tom Wit op een strand, in de schaduw van twee grote torens. Amper wetend hoe hij daar is beland. Amper wetend wie hij eigenlijk is. In een dagboek schrijft de jongen alles op wat hij ziet en weet in die nieuwe wereld, beginnend op 30 februari 1964, met de twee grote torens. De jeugdroman is een mix aan dagboekfragmenten, brieven, voetnoten, krantenknipsels…, en bleek ook voor Mathilda een nieuwe wereld: ‘Heel vaak heb ik het boek moedeloos en gefrustreerd in de kast teruggezet. Ik was te jong en begreep niet wat ik las. Dat leidde tot frustratie, maar plots, hop, lukte het wel, en ging het verhaal voor me open. Het besef om vanaf dan álles te kunnen lezen, was fantastisch. De torens van februari was dus de aanvang van mijn Leeswereld. Natuurlijk greep ik thuis meteen naar de verboden boeken, zoals Turks fruit (van Jan Wolkers) en Gangreen (van Jef Geeraerts). Ik wist al snel waarom ze verboden waren. Natuurlijk was ik in shock.’ (lacht)

'De torens van februari' was de aanvang van mijn Leeswereld. Heel vaak heb ik het boek moedeloos teruggezet in de kast. Ik was te jong en begreep niet wat ik las. Dat leidde tot frustratie, maar plots, hop, lukte het wel, en ging het verhaal voor me open. Het besef om vanaf dan álles te kunnen lezen, was fantastisch.'

Perverse pinguïns

Mathilda Masters, meter van de Jeugdboekenmaand 2024, heeft al een koffer vol jeugdboeken geschreven. De reeks rond de Keukenprins van Mocano bereikt een groot publiek. Dat doen ook de weetjesboeken van haar hand, zoals 321 superslimme dingen die je moet weten over dieren of 123 superslimme dingen die je moet weten over liefde en seks. De weetjesboeken lijken een uitvloeisel van Masters’ liefde voor non-fictie. Ook romans bevolken haar bibliotheek, maar geef Mathilda Masters een boek over pinguïns en de tijd vliegt voorbij. ‘Dit is een goed voorbeeld’, zegt ze, en schuift Wilde verhalen. De ware aard van onbegrepen beesten naar voor; een boek van Lucy Cooke. ‘Bill Bryson, een van mijn favoriete auteurs, noemde het boek “eindeloos fascinerend”, wat voor mij een reden wasom het meteen te lezen.’

© Michiel Devijver en Iedereen Leest

De achterflap is prikkelend: ‘de naakte waarheid over perverse pinguïns, dronken elanden, feministische hyena’s, exploderende vleermuizen, wild seksende panda’s en nog best wel actieve luiaards’. ‘Fan-tas-tisch boek’, zegt Mathilda. ‘Ik heb sowieso een gigantische fascinatie voor alles wat met de natuur te maken heeft en houd van Lucy Cooke’s humoristische aanpak. Ze legt de lezer de oude ideeën over de natuur voor en vertelt over naturalisten die vroeger dachten dat trekvogels naar de maan vlogen. Mensen die toen hoog aangeschreven stonden, zoals Aristoteles, hadden compleet absurde ideeën over dieren. Niet dat Cooke die oude denkers als onnozelaars bestempelt, maar ze schuift op een grappige wijze de waarheid naar voor, of toch de feiten die wij nu kennen over pakweg pinguïns. Dat die ook aan prostitutie doen bijvoorbeeld; wie had dat gedacht!’ (lacht)

Irving

“Ik houd er niet van om lange, filosofische bespiegelingen te moeten herlezen om ze te begrijpen. Geef mij gewoon een goed verteld verhaal, dat enigszins realistisch is. Een verhaal dat toestaat dat ik het decor zelf vorm kan geven.”

‘Ik lees niet graag essays en houd er ook niet van om lange, ingewikkelde, filosofische bespiegelingen te moeten herlezen om ze te begrijpen. Geef mij gewoon een goed verteld verhaal, dat enigszins realistisch is. Een verhaal dat toestaat dat ik het decor zelf vorm kan geven. Daarom las ik als kind graag boeken met veel tekst en weinig prenten: opdat ik er mijn eigen fantasie kon op loslaten. Liever geen strips, hoewel ik ooit stripuitgever ben geweest. Iedereen maakt fouten.’

© Michiel Devijver en Iedereen Leest

‘Ik ben opgegroeid in Leuven, in een grote sociale woonwijk. Mijn ouders baatten een autorijschool uit. Thuis werd er niet zó bijzonder veel gelezen, maar iedere woensdag zat ik op de vensterbank aan het raam, te wachten op moeder die thuiskwam van de kapper en een boek voor me bijhad, waarna ik naar mijn kamer verdween en ze me lange tijd niet zagen. Ik las die kinderboeken steeds opnieuw. Uit noodzaak? Misschien, hoewel we ook naar de bibliotheek gingen. Al heb ik de boeken van Pippi Langkous honderd keer herlezen: het was honderd keer erg plezierig.’

“Toen ik mijn man Patrick als student leerde kennen aan de VUB in Brussel, en uit zijn boekenkast op kot bleek dat we eenzelfde boekensmaak deelden (en nog altijd delen), is de vonk overgeslagen.”

‘Ons gezin was en is eerder conservatief. De zaken worden al eens zwart-wit voorgesteld. Lezen heeft mijn wereld op dat vlak mee opengebroken. Hoe meer verhalen je leest, hoe milder je wordt, hoe meer je de ander begrijpt, of toch probeert te begrijpen. Ook mijn tijd als uitwisselingsstudent in Pennsylvania was van ontzettend groot belang, samen met de latere verhuis naar Borgerhout. Misschien heeft John Irving aan die evolutie bijgedragen. En Roald Dahl. Dat zijn twee schrijvers die als geen ander schijnbaar vreemde personages kunnen vormgeven: mensen met een hoek af, die hoewel niet bijster sympathiek, toch leuk zijn voor de lezer. Willy Wonka is niet zo aangenaam, maar je gelooft hem wel en voelt met hem mee. Irving kan dan weer abortus aankaarten via uiterst bizarre personages die toch heel geloofwaardig zijn. Mijn man Patrick is een even grote liefhebber van Irvings werk. Toen ik Patrick als student leerde kennen aan de VUB in Brussel, en uit zijn boekenkast op kot bleek dat we eenzelfde boekensmaak deelden (en nog altijd delen), is de vonk overgeslagen. Zéker toen ik de boeken van Irving zag staan, in het Engels bovendien, want ook hij was op uitwisseling naar de VS getrokken. We zijn overigens nog altijd getrouwd. (lacht) Patrick heeft Irving ooit ontmoet en hem verteld over ons huwelijk, waarop hij een boek signeerde dat nog altijd centraal in de kast staat.’

© Michiel Devijver en Iedereen Leest


Deel dit artikel:

Mis niets van Iedereen Leest