De leeswereld van Ibe Rossel

Lezen is denken met andermans hoofd, zei Schopenhauer. Maar wat zoeken we in dat andere hoofd? Is het rust, verstrooiing, kennis? Dit is Leeswereld, een interviewreeks over de rol van lezen, over schoonheid, over taal. Deze aflevering: Ibe Rossel, auteur.

door Matthias M.R. Declercq
© Michiel Devijver en Iedereen Leest
© Michiel Devijver en Iedereen Leest

Een leeswereld kan alle kanten opgaan. Voor sommigen is het een aparte wereld, een plek die alleen toegankelijk is als ze klaar zijn op het werk, als de kinderen hun tanden gepoetst hebben, als de keuken opgeruimd is, als er eindelijk tijd is om los te koppelen van de werkelijkheid en zich te begeven in hun zelf ingerichte Leeswereld. Evengoed valt er bij lezers geen onderscheid te maken tussen de éne en de andere wereld, en vallen beide samen. Dat is zo bij Ibe Rossel. In haar leven is literatuur een vanzelfsprekendheid, net als eten en slapen. Ibe is nu 24 en de slagzin van haar debuut, Shakespeare kent me beter dan mijn lief, uitgebracht op haar 21ste, vat het goed samen: ‘Hoe ik leef, kan ik toepassen op wat ik lees, en wat ik lees, kan ik toepassen op hoe ik leef.’ Als auteur bij Das Mag en redacteur bij Kluger Hans, lopen feit en fictie door elkaar. Wat ook het geval is voor de boeken die ze uit de kast heeft geplukt: De vreemdelinge van Claudia Durastanti, De wetten van Connie Palmen, Middlemarch van George Eliot, De rustelozen van Olga Tokarczuk en werk van Annie Ernaux: ‘Ik houd niet zo van verhalen die heel sec worden verteld, zoals bij Hemingway’, zegt Ibe. ‘Liever heb ik de context, de tijd, een locatie. Er mag veel vlees aan zitten, veel dingen om over na te denken, liefst in een mix van fictie, non-fictie en essay. Hoe meer haakjes, hoe liever. De vreemdelinge van Durastanti is een prima voorbeeld. Zij schrijft over haar leven met twee dove ouders, wat herkenbaar voor me is, want de ouders van mijn vader waren dat ook. Of het allemaal waar is wat Durastanti schrijft, vind ik niet zo belangrijk. Maakt het iets uit of de waarheid een rigide concept is of gewoon een constructie?’

Ik houd niet zo van verhalen die heel sec worden verteld, zoals bij Hemingway. Liever heb ik de context, de tijd, een locatie. Er mag veel vlees aan zitten, veel dingen om over na te denken, liefst in een mix van fictie, non-fictie en essay. Hoe meer haakjes, hoe liever.

Lolita

© Michiel Devijver en Iedereen Leest

‘Ik heb als kind heel weinig gespeeld’, zegt Ibe Rossel. ‘Ik herken wat Tove Ditlevsen schrijft in Kindertijd: ‘Ik ben raar omdat ik geen verstand heb van spelen.’ Het klinkt pretentieus, maar het is gewoon zo dat ik mij een kleine volwassene voelde in een kinderlijf en een kindercontext. In plaats van te spelen, las ik boeken van Astrid Lindgren over spelende kinderen. Alleen zijn met mijn eigen gedachten, geconcentreerd lezen, het escapisme waren erg belangrijk voor me. Niet dat ik een asociaal kind was, maar moeder gaf aan kampbegeleiders wel een briefje mee dat ik ’s middags liever een uurtje tot mezelf kwam met een boek dan lang aan tafel te zitten met de andere kinderen. (lacht) Ook op festivals heb ik het na een tijd wat lastig en zeggen mijn vrienden: “Ga gewoon even een boek lezen in de tent”, waarna ik er opnieuw tegenaan kan.’

“In plaats van te spelen, las ik boeken van Astrid Lindgren over spelende kinderen. Alleen zijn met mijn eigen gedachten, geconcentreerd lezen, het escapisme waren erg belangrijk voor me. Niet dat ik een asociaal kind was, maar moeder gaf aan kampbegeleiders wel een briefje mee dat ik ’s middags liever een uurtje tot mezelf kwam met een boek dan lang aan tafel te zitten met de andere kinderen.”

‘Thuis in Nederzwalm-Hermelgem, een dorpje in de Vlaamse Ardennen, had ik genoeg boeken bij de hand. Mijn vader is een wetenschapper en uitvinder die luizenshampoos ontwikkelt en producten tegen nagelbijten en schimmeltenen. Hoewel hij natuurvriendelijke insectenverdelgers bedenkt, heeft hij ook een kinderboek geschreven over insecten. Ook mijn moeder schrijft kinderboeken, wat maakt dat er thuis een grote kast stond waar ik in kon graaien. Op mijn dertiende las ik The Catcher in the Rye van J.D. Salinger en ving mijn “volwassen” Leeswereld aan, nadat ik zowat alle jeugdboeken van de bib in Nederzwalm had gelezen. Ik las de boeken van mijn vader, verhalen van John Irving bijvoorbeeld en las ook Lolita van Nabokov. Ik was daar wel degelijk nog veel te jong voor.’ (lacht)

Intimiderend

Als er één boek is dat mijn leven heeft veranderd, dan is het Middlemarch van George Eliot (pseudoniem van Mary Anne Evans). Hoe zij schrijft over dat éne dorp in Engeland is echt fantastisch. Ik las dat achtdelig werk uit 1871 als kotstudent in Amsterdam, waar ik literatuur studeerde. Ik was aanvankelijk geïntimideerd door de negenhonderd pagina’s. Toch was ik van bij het begin verkocht. Plotgewijs gebeurt er niet zo veel in het boek, maar de personages worden zo extreem genuanceerd weergegeven, zo gedetailleerd ook, dat je als lezer beter begrijpt hoe we als mensen tegenover elkaar staan.Het maakt van Middlemarch een zeer modern boek. Al wat ik las, kon ik aan het heden linken, aan hoe mijn vriendinnen zich verhielden tot de jongens met wie ze toen afspraken bijvoorbeeld. Het boek gaat over diepmenselijkheid, over het idee dat niemand één individu is, maar dat je bestaat uit hoe anderen je waarnemen. Zoals je als mens een soort web bent waarin je je begeeft met anderen, zo is dat boek opgebouwd. Het is een kluwen waarin je toch je weg vindt, waarin je nadenkt over jouw blik op de wereld. Te weten dat je brein je neus ziet, maar die wegfiltert.’

Ik was aanvankelijk geïntimideerd door de negenhonderd pagina’s van "Middlemarch". Toch was ik van bij het begin verkocht. De personages worden zo extreem genuanceerd weergegeven, dat je als lezer beter begrijpt hoe we als mensen tegenover elkaar staan.

Connie

© Michiel Devijver en Iedereen Leest

Op de keukentafel in Ibe’s flat in Gent ligt wat rock-’n-roll op tafel, met Gimmick! van Joost Zwagerman en Phileine zegt sorry van Ronald Giphart. In die boeken speelt de herkenning van haar Amsterdamse studietijd. Een tijd waarin, anders dan wat je van zo’n tijd verwacht, Ibe veel druk ervoer. ‘Een extreme druk om productief te zijn,’ zegt ze daarover, ‘om jezelf te ontplooien, te verbeteren, wat onze neoliberale samenleving erg typeert. Als je in Amsterdam niet tot een literair collectief behoorde of niet in een podcast opdook, waar was je dan in hemelsnaam mee bezig?’

“Binnen mijn eigen schrijverschap worstel ik met mijn grootste angst: pretentie. Zeker als jonge vrouw moet je in deze tijd niet te intellectueel gaan doen, voel ik soms. Je wordt ervoor afgestraft. Daarom kijk ik op naar Connie Palmen. Zij trok zich daar met haar debuut, "De wetten", niks van aan en schreef over alles wat ze dacht of voelde. ”

Daarom dat ze Zwagerman en Giphart las, omdat in die boeken niks moet en duchtig buiten de lijntjes wordt gekleurd. ‘We zijn hier niet alleen om groene smoothies te drinken en te pensioensparen’, zegt Ibe, die verwijst naar lezen als een vorm van verzet, het weerstaan aan het idee van productiviteit. Het blijft wel zoeken naar een evenwicht in deze veeleisende wereld. Zoeken naar de juiste verhouding. ‘Binnen mijn eigen schrijverschap worstel ik met mijn grootste angst: pretentie. Ik voel een diepe angst voor navelstaarderij. Zeker als jonge vrouw moet je in deze tijd niet te intellectueel gaan doen, voel ik soms. Je wordt ervoor afgestraft. Daarom kijk ik op naar Connie Palmen. Zij trok zich daar met De wetten, haar debuut uit ’91, niks van aan en schreef over alles wat ze dacht of voelde. Ze durfde dat gewoon. Nu is er kritiek op de autofictie van auteurs als Niña Weijers en Bregje Hofstede. Dat snap ik niet. Waarom is dat per se een “vrouwelijk” genre en wat is daar mis mee? En wat dan gezegd van Tonio van A.F.Th van der Heijden? Dat is toch net hetzelfde? Connie Palmen, you hate her or you love her. Ik sta alleszins aan haar kant. Misschien is dat een stap die ik nog moet nemen. Kan best zijn. Intussen blijf ik lezen. Ook autofictie, jazeker.’



Deel dit artikel:

Mis niets van Iedereen Leest