De leeswereld van Carl Norac

Lezen is denken met andermans hoofd’, zei Schopenhauer. Maar wat zoeken we in dat andere hoofd? Is het rust, verstrooiing, kennis? Dit is Leeswereld, een interviewreeks over de rol van lezen, over schoonheid, over taal. Deze aflevering: Carl Norac, Dichter des Vaderlands.

 

door Matthias M.R. Declercq
©Michiel Devijver en Iedereen Leest

 

‘Voor mij is lezen zoeken naar een diepere realiteit’, zegt schrijver Carl Norac. ‘Woorden werpen een nieuw licht op de werkelijkheid. Tegelijkertijd voert lezen je net weg van de realiteit. Je leeft tijdens het lezen in een andere wereld. Dat contrast boeit me. Als een schrijver erin slaagt iets om onder woorden te brengen wat je zelf niet lukt, dan bekijk je de realiteit anders. Dat is waarom ik lees, in hoofdzaak poëzie.’

“Als een schrijver erin slaagt iets om onder woorden te brengen wat je zelf niet lukt, dan bekijk je de realiteit anders. Dat is waarom ik lees, in hoofdzaak poëzie.”
©Michiel Devijver en Iedereen Leest

Carl Norac is de GVR van de Belgische Letteren. Alleen ziet niemand hem ten noorden van de taalgrens, of toch weinigen. De Dichter des Vaderlands is een talloos bekroonde auteur van poëzie voor volwassenen, dichtbundels voor kinderen en andere jeugdliteratuur. Meer dan tachtig boeken heeft de van oorsprong Bergense schrijver op zijn naam staan. Boeken die te lezen zijn in tientallen talen: van Portugees, Albanees, Klassiek Chinees, tot Schots-Gaelisch, Punjabi, Tamil en zelfs het Papiaments. Maar vraag in Mechelen of Beringen wie Carl Norac is, en er valt een stilte. ‘Het omgekeerde geldt ook’, zegt hij. ‘Toen Bart Moeyaert de Astrid Lindgren Memorial Award kreeg, zeg maar de Nobelprijs voor de jeugdliteratuur, kreeg ik telefoontjes van Franstaligen: ‘C’est qui, ce Bart Moeyaert?’

Zelf kent Norac ons land beter dan wie ook. Ooit reisde hij met een 2pk’tje door Vlaanderen en na twintig jaar in de buurt van het Franse Orléans gewoond te hebben, keerde hij in 2019 terug naar België. Sindsdien woont hij in Oostende. Hij maakte ook een resem boeken met Vlaamse illustratoren zoals Carll Cneut, Gerda Dendooven en Ingrid Godon. ‘Ik lees veel Nederlandstalige poëzie’, zegt Norac. ‘Zeker nu er in ons land een nieuwe generatie vrouwelijke dichters is opgestaan, denk aan Astrid Haerens, Delphine Lecompte, Charlotte Van den Broeck, Maud Vanhauwaert en Amina Belôrf. Dat kan geen toeval zijn. Het is de maatschappij die ons richting de poëzie leidt.’

Woud

Ik heb nooit niét gelezen’, zegt Norac. ‘Dat heb ik te danken aan mijn ouders. Eerst woonden wij in een arbeiderswijk of cité in Bergen, dicht bij het verleden van de familie: mijn grootouders waren mijnwerkers en stratenleggers. Al gauw verhuisden we naar een immens bos ten noorden van Bergen. Daar woonde ik als enig kind in bos vol boeken, afgezonderd van de wereld. Achter ons huis kon je zes kilometer ver wandelen zonder iets of iemand tegen te komen.’

“Ik woonde als enig kind in bos vol boeken, afgezonderd van de wereld. Achter ons huis kon je zes kilometer ver wandelen zonder iets of iemand tegen te komen.”
©Michiel Devijver en Iedereen Leest

Mijn vader Pierre is schrijver en dichter, en bracht meer dan honderdvijftig boeken uit. Moeder is comédienne. Allebei zijn ze erg belezen en ze bouwden in dat bos een gigantische boekenkast, met aan de ene kant de boeken van vader -vooral politieromans- en aan de andere kant de eerder klassieke romans van moeder. Terwijl de ene in stilte schreef, oefende de ander voor de spiegel haar theaterstukken. Ik stond in het midden, en las alles waar mijn handen bij konden. Alles. Ik heb in dat bos zoveel boeken gelezen als er in een gemeentebibliotheek te vinden zijn. Kinderboeken, dichtbundels, maar ook filosofische traktaten. Op mijn veertiende had ik de twintig gebonden volumes van Emile Zola al gelezen, net als het werk van Nietzsche. Daar in dat bos is niet alleen mijn lees- maar ook mijn schrijfwereld geboren. Al lezend voelde ik waar mijn toekomst lag: bij het schrijven.’

‘Reizen, dat is wat lezen toen betekende. In gedachten trok ik van land naar land. Ik herinner me Le Briquet, een sprookje van Hans Christian Andersen (De tondeldoos in de Nederlandse vertaling, red.). Na het lezen liep ik in het bos. Zag ik een gat in een boomstam, dan was dat voor mij een stiekeme deur naar een geheime wereld. Wandelen was meer dan wat frisse lucht halen, het was een manier om in gedachten verhalen te bedenken. Dat is nog steeds zo. Daarom schrijf ik nooit thuis, altijd ergens anders. Die wandelingen in het bos, samen met het eindeloze lezen thuis, ervoer ik als een soort schrijversschool. Ik voelde me nooit alleen, ook niet als enig kind, want altijd kon ik lezen. Een gelukkige eenzaamheid, dat was mijn tijd tussen de bomen.’

“Wandelen was meer dan wat frisse lucht halen, het was een manier om in gedachten verhalen te bedenken. Dat is nog steeds zo. Daarom schrijf ik nooit thuis, altijd ergens anders.”

Filigraan

‘Als ik lees ga ik altijd op zoek naar de auteur, alsof die achter de woorden schuilt, in het filigraan van het papier. Ik wil weten wie hij of zij is, wat zich in zijn of haar hoofd afspeelde tijdens het schrijven en ik wil de plek waar het verhaal zich afspeelt zelf ervaren. Als ik helemaal in de ban ben van een schrijver, dan neem ik mijn rugzak en reis ik die tegemoet. De Noorse dichter Tarjei Vesaas en het prachtige De vogels bijvoorbeeld: ik ben in de bossen gaan wandelen waarover hij schrijft, en confronteerde mijn leeservaring met de werkelijkheid. Hetzelfde deed ik bij Fernando Pessoa. Toen reisde ik naar Portugal.’

Voorschrift

©Michiel Devijver en Iedereen Leest

‘Een van de schrijvers die mijn leven als auteur, als lezer, maar ook gewoon als mens, het meeste heeft beïnvloed is Hugo Claus. Sinds ik in de jaren negentig Traces las, een bundeling vertaalde gedichten, is er een voor en een na. Wat een ontzettend bijzondere man was dat. Het is een voorrecht om Claus goed gekend te hebben. We traden ooit samen op in Saint-Amour (Behoud de Begeerte) en werden vrienden. Claus schreef af en toe brieven, en stuurde ook prentkaarten. Zijn stijl, zijn présence, zijn humor: het is ongekend. Toen ik vroeg waarom hij in Antwerpen woonde, zei hij: "Zelfs een clochard is in Antwerpen nog een echte heer."'

“Ik heb alle dichtbundels van Apollinaire in één nacht uitgelezen, toen de TGV midden in een sneeuwstorm halt hield in het noorden van Frankrijk.”

‘Ook Nolens heeft mij beïnvloed, en gaf me raad. Als beginnend dichter probeerde ik van iedere zin een juweel te maken, een edelsteen. Nolens raadde me aan meer toegankelijke poëzie te lezen. Als een echte dokter schreef hij mij een cure-Apollinaire voor, waarna ik effectief de dichtbundels van Apollinaire aankocht, en die ooit, toen de TGV midden in een sneeuwstorm halt hield in het noorden van Frankrijk, in één nacht allemaal heb uitgelezen. Dat was bijzonder intens. Maar ook nuttig. Ik heb die nacht niet geslapen, en voelde me nadien een ander mens. Nolens heeft mij ten goede beïnvloed, net zoals Claus, Pessoa, Vesaas en al die andere schrijvers die me toelaten om een diepere realiteit te ontdekken. Al schrijvend, maar zeker ook al lezend.’



Deel dit artikel:

Mis niets van Iedereen Leest