De leeswereld van Bruno Vanden Broecke

'Lezen is denken met andermans hoofd', zei Schopenhauer. Maar wat zoeken we in dat andere hoofd? Is het rust, verstrooiing, kennis? Dit is Leeswereld, een interviewreeks over de rol van lezen, over schoonheid, over taal. Deze aflevering: Bruno Vanden Broecke, acteur.

door Matthias M.R. Declercq
© Michiel Devijver | Iedereen Leest

Halverwege het gesprek valt de naam Bertus Aafjes en kantelt het schermpje. Acteur Bruno Vanden Broecke (Het Eiland, Wat als?, Safety First, maar ook (bekroonde) theatermonologen als Para, Missie en Socrates) richt de camera niet langer op zichzelf, maar op de kast waarin wijlen zijn moeder haar boeken uitstalde. In die kast ligt een opvallend stapeltje oude dichtbundels. Het zijn 29 exemplaren van In den beginne, het tientallen pagina’s lange gedicht van Aafjes uit 1949. Allemaal eerste drukken. Bruno haalt er eentje uit de kast, en zonder het open te slaan draagt hij de aanvang van het gedicht voor, uit het hoofd, in puntgave dictie.

Hij liep in de nog ongenoemde morgen
Met lange benen en met lange armen
Zijn borst was jong en fris van vurigheid
Zijn ogen stonden open op de dingen
Zijn lippen hingen aan het bijna noemen
Totdat de namen welden uit zijn mond
Als helder water wellend uit de diepte

'Dit is het mooiste gedicht dat ik ken', zegt Bruno. Ik leerde het al vroeg uit het hoofd, ter ontspanning aan de universiteit (Vanden Broecke studeerde Letteren en Wijsbegeerte, red.). Dan bereidde ik een mondeling examen voor en boog me tussendoor op een pagina uit het gedicht. In dit fantastisch werk laat Aafjes Adam rondlopen, een man die dan nog niks weet en niks heeft, iemand voor wie alles nog absoluut is. Ook Eva is er nog niet. Die prille staat van de mens, die nog geen woorden heeft voor de dingen, is een bijzondere gedachte, te weten dat nadien alles anders wordt. Ook in gedichten. Als Aafjes in een ander gedicht schrijft over uw naaktheid traag als zomeruren en soms ook dartel als een hert of hinde, dan is het absolute, dus het woordeloze, verdwenen, want je meet de dingen aan elkaar af, je vergelijkt ze. In den beginne is zo mooi dat ik die eerste drukken verzamel, en ze laat overkomen uit antiquariaten in Nederland, of waar dan ook. Ik weet niet goed waarom, maar het idee die te verzamelen voelt goed aan.'

Het Ivoren Aapje

“Ik heb sinds mijn jeugd altijd gelezen. Het is een constante in mijn leven. Als vrijgezel, als beginnend acteur, als vader: iedere fase werd vergezeld van boeken.”

In den beginne liep ook Bruno Vanden Broecke in de nog ongenoemde morgen. In het Waasland was dat, als enig kind, daar welden de woorden ook uit de diepte, en uit zijn moeder, die hem voorlas uit Het groot jaargetijdenboek van Anton van Wilderode, een bloemlezing met gedichten voor elke dag van het jaar. De jonge Bruno hield zelfs notities bij, en recenseerde de gedichten: 'niet zo goed, kan beter'. 'Ik heb sinds mijn jeugd altijd gelezen', zegt hij, 'het is een constante in mijn leven. Als vrijgezel, als beginnend acteur, als vader: iedere fase werd vergezeld van boeken.' Hij zegt te lezen omdat het zijn leven verrijkt. Het voedt zijn nieuwsgierigheid, de kennis, de verbeelding, en weer kantelt het beeld en zie je een boekenkast die veel te breed is voor het scherm, met donker hout en prachtige ruggen.

© Michiel Devijver | Iedereen Leest

'Ik ben een verwoed verzamelaar', zegt Bruno. 'Er is meer dan alleen die bundel van Aafjes, maar ook het werk van Stijn Streuvels, Karel van de Woestijne, Herman Teirlinck, Jeroen Brouwers en J.M. Coetzee. En De goddelijke komedie van Dante Alighieri, niet te vergeten. Ooit ben ik begonnen met het van buiten leren van de hel, dat uit 33 canto’s verzen bestaat, in kettingrijm. Voor mijn veertigste wou ik daar in slagen, al ben ik maar aan vijf canto’s geraakt. Het zorgde er wel voor dat ik allerlei versies van het werk aankocht, ook die met gravures, en ik heb ook De goddelijke komedie in het kleinste mogelijk formaat: het boekje is niet groter dan mijn duim. Ik vond het in een museum in Toscane. Ik moet die verzamelwoede enigszins beteugelen, al kan ik me moeilijk inhouden als ik Het Ivoren Aapje binnenwandel in Brussel (boekhandel niet ver van het KVS-theater, waar Vanden Broecke aan verbonden is, red.). Dat is zo’n prachtige, archetypische winkel. Hier thuis heb ik ook een grote collectie Russische literatuur, maar evengoed een hele plank prachtige uitgaves van Galimard: Antoine de Saint-Exupéry, Marcel Proust, Stendhal, ooit gekregen toen een vriend stierf. Sommigen geven boeken weg, eens het verhaal zich in hen heeft genesteld. Dat soort minimalisme is wel mooi, maar ik houd ervan me te omringen met boeken.'

Veelvraterij

© Michiel Devijver | Iedereen Leest

'Ik lees vooral fictie. Misschien heeft dat met de verbeelding te maken, al neig ik langzaam ook richting non-fictie. Ik merk dat boeken met een biografische link (nog) meer binnenkomen dan andere boeken. Zo is mijn betrokkenheid als lezer groter bij Sprakeloos van Tom Lanoye, dan bij Kartonnen dozen, groter bij Oorlog en Terpentijn van Stefan Hertmans dan bij De opgang, en is die ook groter bij Tonio van A.F.Th. van der Heijden dan bij een andere roman van zijn hand, hoewel die laatste iemand is die ik al jaren volg, en die met mijn leeswereld is meegegroeid. A.F.Th. is fantastisch. Dat geldt ook voor het werk van de Rus Konstantin Paustovski. Hoe hij zijn tochten door Rusland beschrijft is zo schoon, zo ontroerend, te meer omdat het ook allemaal waar is.
Ach, mijn liefde voor literatuur is een soort veelvraterij. We spreken over Russen of over Italianen en Nederlanders, maar evengoed raak ik in de ban van Japanse illustratoren uit de vijftiende eeuw. Vaak probeer ik in de originele taal te lezen, zoals Dante in het Italiaans (Vanden Broecke studeerde Italiaans voor theatermonoloog Missie, naar een tekst van David Van Reybrouck, red.). Lezen in andere talen is een verrijking, je voelt hoe de structuur van een vreemde taal je denken vormgeeft. Dan tref je een woord aan waar je in het Nederlands een kwartier voor nodig hebt om het uit te leggen, en blijkt Homerus dat te kunnen vatten in één adjectief. Hoe meer je leest in vreemde talen, hoe rijker de echte wereld wordt.

Ik lees ook veel gedichten. Vaak brengen die troost op moeilijke momenten. Zo bezocht ik mijn toenmalige vriendin ooit in het Verenigd Koninkrijk. Daar nam ze deel aan de Erasmus-uitwisseling. Bleek ze verliefd te zijn op iemand anders, waardoor ik in plaats van een week vakantie al na twee dagen de ferry terug nam naar Calais. Op de boot had ik een bundeling gedichten bij van de oude romantici uit de negentiende eeuw, samengesteld door Gerrit Komrij. Ik heb de hele nacht doorgelezen en hun gedichten verzwolgen.'

Vuursteen

“Je probeert de liefde voor lezen door te geven maar je hebt als ouder slechts een paar pogingen daartoe. Als bij vuurstenen moet je hopen dat de vonk overspringt. Lukt het? Fantastisch. Lukt het niet? Dan moet je je daarbij neerleggen.”

Er is voor Bruno meer dan alleen lezen. Ook voorlezen maakt een wezenlijk deel uit van zijn leeswereld. Hij moet maar 'Weet je…' zeggen en de borst van zijn jongste zoon is jong en fris van vurigheid. 'Je probeert de liefde door te geven', zegt Bruno, 'maar je hebt als ouder slechts een paar pogingen daartoe. Als bij vuurstenen moet je hopen dat de vonk overspringt. Lukt het? Fantastisch. Lukt het niet? Dan moet je je daarbij neerleggen. Niet iedereen heeft een letterhonger. Je moet zelfs niet eens voorlezen, ik verzin ook vaak verhalen. Zo loopt hier al lange tijd een imaginaire hond rond. Lark, heet die, een groot beest met zilverkleurig haar. Mijn oudste zoon is vijftien en leest ook veel. Of dat later nog zo gaat zijn, weet ik niet, maar de kinderen zullen wel altijd in onze boekenkast terecht kunnen.'

 



Deel dit artikel: