Je bent hier:

De leeswereld van Bibi Dumon Tak

'Lezen is denken met andermans hoofd’, zei Schopenhauer. Maar wat zoeken we in dat andere hoofd? Is het rust, verstrooiing, kennis? Dit is Leeswereld, een interviewreeks over de rol van lezen, over schoonheid, over taal.  In deze aflevering: Bibi Dumon Tak, jeugdauteur.

door Matthias M.R. Declercq
© Michiel Devijver | Iedereen Leest
“Schrijven vond ik een verheven bezigheid. Ik was ervan overtuigd dat zelf niet te kunnen. Pas na het vierde boek gooide ik de schroom van me af.”

Het duurde erg lang vooraleer ze het aandurfde en zichzelf de eer toedichtte. Na vier jaar en evenveel boeken keek Bibi Dumon Tak in de spiegel en sprak het uit: 'Ja, ik ben een schrijver.’ Altijd al vond ze die titel te groot, te zwaar, te zeer in marmersteen gebeiteld. Heerschappen als Mulisch en Márquez, dàt waren schrijvers, niet de leerkracht uit Rotterdam die debuteerde met een kinderboek over koeien. 'Schrijven vond ik een verheven bezigheid’, zegt ze. 'Ik was ervan overtuigd dat zelf niet te kunnen. Onderwijs voor anderstaligen, daar lag mijn kracht, toch? Niet in de literatuur. Pas na het vierde boek gooide ik de schroom van me af. Veertig was ik toen en vastbesloten me te wijden aan het schrijven.’

Guppies en een pony

Beesten beheersen haar leven en haar oeuvre. Dumon Tak groeide op in Rotterdam met twee schildpadden, een kat, een bokaal guppies, paarden, een pony en een teckel, zo’n lange hond met korte poten die - als hij tegen de voordeur aan ligt - de wind weert. De liefde voor natuur en dieren heeft ze vertaald naar behapbare, goed geschreven en mooi geïllustreerde kinderboeken. ’Het begon met Het Koeienboek, zegt Bibi. ’Ik voelde me veilig bij een koe als onderwerp (lacht).’ Later volgden een hond, een struisvogel, een narwal, een zeeolifant ... en Het Heel Grote Vogelboek.

Die dierentuin leidde tot vijf Zilveren en één Gouden Griffel, een vakprijs voor het beste kinderboek van het jaar: Bibi Dumon Tak is met recht en reden een grootheid in de wereld van de Nederlandstalige jeugdliteratuur.

Weekhartig

’Ik heb een niet aflatende liefde en fascinatie voor het dierenrijk. Van kind naar puber naar adolescent naar volwassene: altijd bleef die liefde intact. Ik ben weekhartig, zie ik dieren lijden, dan krijg ik het lastig. Alsof er een gen bestaat voor dierenliefde. Een gen dat ik geërfd heb van mijn moeder, die zich vroeger ook al met dieren omringde.

Natuurlijk dicht ik de dieren in een kinderboek menselijke eigenschappen toe, dat maakt het herkenbaar voor de jonge lezers. Tegelijk probeer ik een zachte boodschap mee te geven: dat wij als mens niet meer waard zijn dan een ander dier. Niet dat ik die boodschap er met hoofdletters doorduw, maar indirect reik ik wat context aan.’

Safran Foer

“Die herdefiniëring van de relatie mens-dier leg ik de jeugd niet op. Wel probeer ik het mooie, het bijzondere van dieren te belichten, waardoor de neiging om die te vernietigen afneemt.”

‘Dieren eten van Jonathan Safran Foer is mijn ultieme boek. Ik was al vegetariër en besloot na het lezen van dat boek ook geen vis meer te eten. Safran Foer heeft mensen overtuigd met feiten, dat is zijn kracht. Je kunt als schrijver alleen maar dromen van zo’n grote impact. De soldaat was een dolfijn van Eva Meijer is nog zo’n boek. Meijer stelt de vraag of dieren politieke wezens zijn en hoe we daar als mens mee omgaan. Wij hebben onszelf bovenaan de piramide gesteld. Dat is niet democratisch. De mens heeft geen reden om die hoogste plek zomaar in te nemen en de rest onder de voet te lopen. Ik hoop dat de maatschappelijke kanteling is ingezet, dat we de relatie mens-dier herzien en daar ook naar handelen. In mijn kindertijd waren vegetariërs ’rare mensen'. Wie op school geen vlees at werd vreemd bekeken. Hij of zij was plots ’anders’. Nu is dat niet meer het geval, of althans veel minder.’

’Die herdefiniëring van de relatie mens-dier leg ik de jeugd niet op. Wel probeer ik het mooie, het bijzondere van dieren te belichten, waardoor de neiging om die te vernietigen afneemt. ’Wie heeft hier al eens de poten van een spin uitgetrokken?’ vraag ik vaak op scholen. Meestal gaan de handen van de jongetjes de lucht in en roepen de meisjes: ’Neen, mag je niet doen!’ Als je de klas toont hoe mooi een spin is, hoe die spinnenwebben produceert, dan neemt de neiging af om die dieren dood te drukken.’

Breingymnastiek

‘Lezen speelt nog steeds een belangrijke rol in mijn leven. Als kind las moeder me iedere avond voor. Haar zachte, warme stem wiegde me in slaap. Vaak droeg ze ook gedichten voor, uit het hoofd. Mijn moeder studeerde voordrachtskunst, en hoewel ze er professioneel weinig mee aankon, heeft ze mij ingeleid in de wereld van boeken en taal. Daar ben ik haar erg dankbaar voor. Het maakt dat ik nu zelf kinderpoëzie schrijf. Over dieren, jawel. Dat genre bestaat nog niet: non-fictie poëzie over eenhoevige dieren (lacht). Maar ik ga het doen. Omdat poëzie niet louter is weggelegd voor volwassenen. Het ritme, de woorden, de klanken: het is breingymnastiek.’

“Op school spreken we altijd maar over lichamelijke opvoeding, over gymnastiek, terwijl er een even grote nood is aan verbeelding, taal, aan turnen met je hoofd.”

'Op school spreken we altijd maar over lichamelijke opvoeding, over gymnastiek, terwijl er een even grote nood is aan verbeelding, taal, aan turnen met je hoofd. Als tegenwicht voor de dominante beeldcultuur. Lezen is een bezigheid die je mag opleggen. We moeten jongeren geen boekenlijst opdringen, maar wel het lezen an sich. Laat ze de lijst zelf samenstellen, het zal de zin in lezen aanwakkeren.’

Knetteren

’In mijn leven heeft lezen meerdere functies. Ofwel lees ik een bepaald boek omwille van de taal, denk aan Het hout van Jeroen Brouwers, ofwel om iets bij te leren, zoals The Secret Life of Cows van Rosamund Young. Het hout, dat is een glas rode wijn. Je moet het savoureren.

“Leer ik zelf iets bij over een dier, en slaag ik er in die kennis over te brengen op kinderen, dan ben ik gelukkig. Echt gelukkig.”

Bij zo’n taalrijkdom is het verhaal voor mij ondergeschikt aan de vorm, de stijl, de zinsbouw. Maar combineer je een rijke taal met het aanreiken van kennis, dan krijg je het ultieme boek. Zulajka opent haar ogen van Guzel Jachina, over de Russische goelag, is het boek dat me vorig jaar het meeste bijbleef. Ook het werk van Geert Mak behoort tot die categorie. Goed geschreven non-fictie die aanvoelt als weelderig proza. Guus Kuijer en zijn Bijbel voor ongelovigen is ook zo’n werk. Dat is proza waar mijn hart sneller van gaat kloppen. Dan knettert het in mijn hoofd. Iets leren, iets begrijpen is zowat de best mogelijke leeservaring, alsof je hersenen aangroeien. Leer ik iets nieuws, dan gaat er een lichtje branden en denk ik: wat gewéldig om dit te weten. Dat verklaart ook mijn liefde voor het schrijven. Leer ik zelf iets bij over een dier, en slaag ik er in die kennis over te brengen op kinderen, dan ben ik gelukkig. Echt gelukkig.’



Deel dit artikel:

Mis niets van Iedereen Leest